Oirschot (NL)

ROGIER VAN LEEFDAAL KOOPT OIRSCHOT EN HILVARENBEEK
door J. Lijten,Campina 18e jaargang, nr 70 juli 1988

De koop door Rogier van leefdaal van Oirschot in 1320 en van Hilvarenbeek is meerdere malen vernoemd1 De koopakte van Oirschot is in 1971 gepubliceerd,2 maar er is nooit echt op dit belangrijk gebeuren ingegaan. Toch zijn beide feiten goed gedocumenteerd en dat voor een belangrijk deel door de originele stukken, die nog aanwezig zijn in het familie-archief van Merode – Westerlo.3 Wat Oirschot betreft, is de documentatie zelfs overvloedig, ofschoon één stuk, dat blijkens andere bestaan moet hebben, noch in originali noch in afschrift is teruggevonden.
Een grondige bestudering van de stukken geeft nogal wat achtergrondinformatie en een vergelijking tussen Oirschot en Hilvarenbeek geeft enige kijk op de toenmalige ingewikkelde structuren met name op feodaal terrein.
We willen van beide koopcontracten eerst de afzonderlijke documenten nader bezien, om daarna het geheel van de rechtsovergang in ogenschouw te nemen.


DE KOOP VAN OIRSCHOT

De Bossche schepenakten

Het zal dienstig zijn eerst iets te zeggen over de Bossche schepenakten in het algemeen, aangezien drie van de vijf voorliggende akten betreffende de koop van Oirschot voor Bossche schepenen zijn verleden.
In haar dissertatie over het Bossche schepenprotocol wijst M. Spierings ook op de veranderingen, die hebben plaatsgevonden in de redactionele vorm van de Bossche schepenbrief. 4 Wat zij daar zegt over de periode 1292 – 1326, is slechts een oppervlakkige benadering. Wij willen er iets dieper op ingaan.
Deze periode valt duidelijk uiteen in twee fasen.
De eerste fase loopt van 1292 tot 1308. De opbouw van de akte is dan aldus:
Wij N.N. schepenen van ‘s-Hertogenbosch maken bekend, dat …. (volgt de beschrijving van de rechtshandeling).’ In een aparte zin wordt dan het verband gelegd tussen de rechtshandeling en de akte, welke tekst neerkomt op: ‘Tot getuigenis hiervan hebben wij onze zegels gehecht aan deze akte.’ 5
112.
De tweede fase loopt van 1309 tot 1326.6 Het begin van de akte blijft hetzelfde, maar het verband tussen de rechtshandeling en de akte wordt niet meer gelegd in een aparte zin doch in een voortzetting van de hoofdzin.
De opbouw van de akte wordt dan: ‘Wij N.N. schepenen van ‘s-Hertogenbosch maken bekend, dat …. (volgt de beschrijving van de rechtshandeling), door het getuigenis van deze akte. ‘Heel de akte bestaat dus uit één zin, waarvan de hoofdzin het begin en het einde is, terwijl de beschrijving van de rechtshandeling wordt samengeperst in een soms ellenlange bijzin, die zelf weer in een wirwar van bijzinnen bestaat. In beide versies volgt dan nog de datering in een aparte slotzin.
Zoals M. Spierings in deze periode twee Bossche schepenakten vond met de ‘moderne’ versie van na 1326,7 vonden wij in de tweede fase van deze periode drie akten in de ‘oude’ versie van vóór 1309. 8
Wij begrijpen, dat het zeer verleidelijk is, om – mede ten gerieve van de hedendaagse lezers – de dikwijls onoverzichtelijke akten door punten en hoofdletters in stukken te kappen, zoals Dr. Camps dat in tientallen akten in het oorkondenboek van Noord-Brabant heeft gedaan, maar wij achten dit principieel onjuist. Bovendien creëert men dan een juridisch monstrum, daar er immers geen verband wordt gelegd tussen de akte en de rechtshandeling als geheel, maar enkel tussen de akte en het laatste afgekapte deel van de rechtshandeling, waaraan de formule ‘door het getuigenis van deze akte ‘presentium testimonio litterarum‘ als een verdwaalde blindedarm hangt te bengelen. In onze weergave van de teksten wordt de akte daarom consequent als één zin behandeld.


De koopakte van 1320.04.24
Het meest opvallend is, dat Oirschot verkocht wordt ten overstaan van schepenen van ‘s-Hertogenbosch en wel in een formule, die gebruikt werd bij de verkoop van onroerend eigendom. Oirschot is dan ook een allodiale heerlijkheid, dat wil zeggen, dat de heerlijke rechten, die verbonden waren aan het onroerend eigendom (De heerlijke rechten worden in de akte omschreven als ‘attinentia’ ‘aanhorigheden’ van de onroerende goederen.) onafhankelijk van elke menselijke authoriteit werden bezeten. Allodia werden ook ‘zonnelenen’ genoemd: zij werden alleen ‘van de zonne en van God’ gehouden. In het bezit van zijn bestuurlijke functie had de heer van Oirschot geen overheer, geen menselijke persoon of instantie boven zich. In onze gedachtegang zouden we daaruit besluiten, dat Oirschot een souverein mini-staatje was. Toch gaat dit niet op. Oirschot was wel degelijk een deel van het hertogdom Brabant en daarin een deel van de Meierij van ‘s-Hertogenbosch en van het kwartier Kempenland. We moeten het zo
zien. De begrippen feodaal en allodiaal liggen in de sfeer van de persoonlijke verhouding, terwijl de heerlijkheidsrechten liggen in de sfeer van het publiek recht.
In het bezit van zijn bestuurlijke rechtsmacht had de heer van een allodiale heer-

113.
-lijkheid niemand boven zich in feodale context d.i. in de sfeer van persoonlijke verhouding. Doordat de heerlijkheid Oirschot deel uitmaakte van het hertogdom Brabant, was de heer echter in de publiekrechtelijke sfeer en dus in de uitoefening van zijn heerlijke rechten ondergeschikt aan de hertog van Brabant.
Een ingewikkelde verhouding dus, die in hedendaagse begrippen niet accuraat te omschrijven is. Slechts door alle facetten nauwkeurig te beschouwen zullen we op den duur een – toch nog vaag blijvend – beeld krijgen van de zeer aparte middeleeuwse verhoudingen.
Er komt nog iets speciaals bij. Wouter van Oirschot had zijn heerlijke rechten niet alleen, maar gelijkelijk gedeeld met de hertog. Wij weten dit slechts uit andere bronnen,9
Dat de allodiale heerlijkheid Oirschot toch een publiekrechtelijke betrekking had met de landsheer, blijkt daaruit, dat er ook een overdracht heeft plaatsgevonden ten overstaan van ‘mannen van de hertog’. Wij zullen dit nader bespreken ter plaatse, waar deze overdracht wordt gememoreerd.
Wanneer we ons afvragen, welke allodiale goederen werden overgedragen, geeft de akte weinig informatie. We zullen het antwoord moeten afleiden uit de situatie, zoals die later blijkt te bestaan. De enige allodiale goederen, die uitdrukkelijk genoemd worden, zijn ‘de molens’. Wij kunnen hieruit besluiten, dat de twee molens, die later eigendom blijken te zijn van de Oirschotse heren, in 1320 reeds
in bedrijf waren als heerlijk bezit. Naast de watermolen te Spoordonk was dit de windmolen ten zuiden van Oirschot ‘op de hei’.
Ook over de heerlijke rechten geeft de akte slechts schaarse informatie. Met name wordt alleen gesproken over ‘hogere en lagere jurisdictie’. Dit is wel het voornaamste van de heerlijke rechten, maar de nauwkeurige inhoud van die jurisdictie zal uit de latere situatie moeten blijken.
Ook is er sprake van ‘leenmannen en ministerialen’, maar daar wordt bijgevoegd ‘als die er zijn’ si qui sint‘. Nu zal er geen twijfel aan zijn geweest, dat er ‘mannen’ in een bepaalde afhankelijkheidsverhouding tot de heer stonden, maar vermoedelijk zal niet helemaal duidelijk geweest zijn, hoe die verhouding juridisch lag.
Dat het voorliggende contract als belangrijk beschouwd werd, blijkt wel uit het feit, dat niet minder dan zes Bossche schepenen over deze akte stonden, terwijl overwegend slechts twee schepenen getuigen waren en in een enkel geval drie, en dat de overdracht extra benadrukt wordt als ‘naar onze uitspraak ‘ad nostram sententiam‘, zoals deze ‘door de schout is verzocht ‘a judice requisitam‘. De

115.
voorwaarden zijn als gebruikelijk. De bezittingen moeten worden opgeleverd vrij van lasten behalve de vaste, niet afkoopbare. Hier zal echter een gemeen addertje onder het gras blijken te schuilen. Uit het vervolg moeten we wel concluderen, dat de koop van Oirschot voor Rogier van Leefdaal een linke zaak was.
De klaarblijkelijk zware schulden, die drukten op de goederen van Wouter van Oirschot, konden door hem niet uit eigen middelen worden afgelost, zodat hij Oirschot vrij van lasten zou kunnen opleveren. Rogier van Leefdaal moest dus op voorhand betalen in het vertrouwen, dat Wouter het geld zou gebruiken, om zijn schulden te lossen, waarna Oirschot pas vrij van lasten zou zijn. Tegen dit enorme risico zal Rogier van Leefdaal zich dan ook zo goed mogelijk gaan indekken, vóór hij met de geldbuidel op tafel komt.

De garantieverklaring van 1320.06.30
Rogier van Leefdaal, zich kennelijk bewust van zijn risico, wilde zwart op wit hebben, dat de kapitale som van 1300 pond, die hij voor Oirschot betaalde, door Wouter van Oirschot metterdaad gebruikt zou worden volgens bovenvermelde afspraak. Voor een borg zal men in zo’n geval uitzien naar iemand, die niet alleen kapitaalkrachtig is, maar ook met beide partijen op vertrouwde voet staat.
Wouter van Oirschot heeft deze borg blijkbaar kunnen vinden in de persoon van Gerard van Horne, gehuwd met een familielid van Rogiers vrouw»10
Gerard van Horne was dus geparenteerd aan het Kleefse gravengeslacht, waarbij Wouter van Oirschot in dienst was en waannee deze zelf ook nauwe relaties had, want hoewel Wouter van Oirschot zelf geen familierelatie had met het Kleefse geslacht, was zijn tweede moeder een van Kleef.11
In de bedoelde akte stelt Gerard van Horne zich borg voor Wouter van Oirschot tegenover Rogier van Leefdaal en wel in een verklaring, die door hemzelf bezegeld wordt. In deze verklaring wordt ook vermeld, hoe de koop is gesloten en de voorwaarden zijn vastgelegd ‘gheliker wys dat die brieve spreken, die daerop ghemaect syn, die de scepenen van ‘s-Hertogenbosch beseghelt hebben ende
oec ‘s hertogen mannen van Brabant
‘. Op zich zou deze zinswending kunnen duiden op één oorkonde, die zowel door de Bossche schepenen als door de ‘mannen van de hertog’ bezegeld was, hoewel dit een ongebruikelijke vorm zou zijn geweest. Nu ons echter de akte bekend is, die enkel door de Bossche schepenen is bezegeld, moeten we wel concluderen, dat er een afzonderlijke akte verleden is ten overstaan van de ‘mannen van de hertog’. Daar deze akte niet gevonden is, blijven de ‘mannen van de hertog’ enigszins in het vage. Op de schulden, die op Oirschot drukten, valt echter enig licht. Wouter stond in het krijt bij de lombarden, de geldschieters en bankiers van die tijd, die bereid waren ver te gaan
in hun kredietverlening tegen zakelijk onderpand en persoonlijke borgstelling, maar dan ook een navenant hoge rente bedongen voor een tophypotheek.
Dat er inderdaad een tophypotheek drukte op Oirschot, mogen we wel afleiden uit het feit, dat Rogier van Leefdaal geen genoegen nam met de zelf-bezegelde verklaring van Gerard van Horne, maar deze meetroonde naar Den Bosch voor de volgende akte.


De garantieverklaring voor Bossche schepenen van 1320.07.07
Rogier van Leefdaal stond erop, dat Gerard van Horne, zijn borgstelling nog eens bekrachtigde ten overstaan van Bossche schepenen. Dat in Den Bosch deze garantie als gewichtig werd beschouwd, is af te leiden uit de aanwezigheid van drie schepenen. De grote waarde, die klaarblijkelijk aan een akte voor schepenen van ‘s-Hertogenbosch gehecht werd, wijst op de met name economisch belangrijke positie, die de stad en haar schepenen innamen. Inhoudelijk voegt deze akte niets toe aan de vorige. Voor het grootste gedeelte volgt de tekst de eigen verklaring van Gerard van Horne op de voet. Dit was voor ons overigens een hulpmiddel, om de gedeeltelijk onleesbaar geworden tekst van de voorgaande
akte te kunnen reconstrueren.
Enkel nog iets over de datering. In een authentiek afschrift van 1897 herleidt de Brusselse archivaris v.d. Mijnsbrugge de datum ‘feria secunda ante festum beate Margarete virginis‘ tot ’15 juillet 1320’. Wij kunnen hierin niet meegaan, omdat het feest van sint Margriet in die tijd overwegend gevierd werd op 13 juli.
Er waren wel vele uitzonderingen, maar daar hoorde onze regio niet bij.12
De transactie was nu safe en kon veertien dagen later in klinkende munt worden afgerond.

De kwitantie van 1320.07.21
Van grote bedragen sloegen de Bossche schepenen in 1320 al niet meer achterover. Bij deze kwitantie van 1300 pond traden dan ook slechts twee schepenen aan als getuigen. De akte behelst niet meer dan datgene, wat voor een betalingsbewijs juridisch nodig was. Toch werd een dergelijke akte met zorg geschreven.
Dit blijkt uit het herstellen van een kleine vergissing door de schrijver. Hij vergat het woordje ‘de‘ tussen ‘sibi‘ en ‘dicta‘ en schreef dit boven de regel tussen deze woorden in. De goedkeuring der schepenen voor deze kleine onregelmatigheid zien we aan het eind van de oorkonde uitdrukkelijk vermeld. Terloops zij nog opgemerkt, dat de manier, waarop deze goedkeuring in de tekst van de akte is opgenomen, erop wijst, dat inderdaad ‘presentium testimonio litterarum” door het getuigenis van deze akte’ het slot is van de hoofdzin.

117.
De instemming van 1326.04.20
In onze gedachtegang is door overdracht en betaling een transport van onroerend goed afgewikkeld. Bij de middeleeuwse mens lag dat anders. Onroerend goed, met name erfgoed, was niet met absolute uitsluiting eigendom van één persoon maar behoorde mede aan de familie. Algemeen kende men in die tijd het recht van vernadering. Dit hield het volgende in. Indien A een erfgoed verocht aan B, kon C, indien deze nader familie van A was dan B, binnen één jaar dat goed vernaderen. C moest dan aan B de door deze aan A betaalde koopsom met de gemaakte onkosten betalen, waarop B het goed aan C moest overdragen. Vereist was wel, dat het bedrag van de koopsom en kosten contant betaald werd. Wij hebben de indruk, dat hieruit wel eens een slaatje werd geslagen. Een nader familielid begon dan een actie, om het benodigde contante geld bij elkaar te brengen. Ook al had deze weinig kans van slagen, de actie op zich gaf de nieuwe eigenaar al een onzeker gevoel. Dikwijls was hij dan bereid, om de aanspraken
van zo’n familielid af te kopen. Het zou ons niet bevreemden, dat zich hier iets dergelijks heeft afgespeeld. Wij nemen als zeker aan, dat de aanspraken van Henriek van Oirschot door Rogier van Leefdaal zijn afgekocht.
Daarop wijzen de woorden in de tekst van de akte ‘quitamus et quitum clamamus” wij geven kwijting’. Deze aanwijzing wordt nog versterkt door de dorsale aantekening op de akte, die vermoedelijk van de hand is van de rentmeester van Rogier van Leefdaal: ‘quitancia domini Henrici etc. ac renunciatio super bonis de Orscot”kwitantie van heer Henrik enz. en verzaking aan de goederen van Oirschot’. De archaïsche term ‘verzaking’ is d , enige mij bekende, die in één woord de betekenis weergeeft. De inhoud Is: het afstand doen van aanspraken.
Uit de tekst blijkt, dat dit aanspraken waren, die hij krachtens erfrecht kon doen gelden.
Hier dringt zich de vraag op: wie was Henrik van Oirschot? Hij is ons uit geen enkele andere bron bekend. Ook Klaversma vernoemt hem niet. Het meest voor de hand liggend is, dat hij de zoon was van Wouter van Oirschot. De mogelijkheid, dat hij een volle broer was van Wouter, kan echter niet worden uitgesloten. Hij was deken van het kapittel van Zyfflich (juist over de huidige landsgrens bij Nijmegen), dat later werd overgeplaatst naar Kranenburg. 13 Dit kapittel had nauwe banden met de graven van Kleef. De akte wordt dan ook medebezegeld door graaf Dirk van Kleef. Dat de akte eveneens mede bezegeld wordt door Gerard van Horne, duidt er wel op, dat deze bij de overeenkomst bemiddeld zal hebben. Dit lag ook helemaal in het verlengde van zijn borgstelling bij de koop.
Het geheel van de koop
Na alle documenten afzonderlijk bekeken te hebben dienen we te wijzen op enkele saillante punten.
Oirschot blijkt in 1320 een allodiale heerlijkheid te zijn, wat toen reeds een vrij zeldzame uitzondering was. Toch hebben wij de indruk, dat tijdens de Brabantse occupatie van de (later zo genoemde) Meierij de meeste heerlijkheden allodiaal waren maar over het algemeen slechts zeer beperkte heerlijkheidsrechten
hadden. Het bestuur of liever de rechtspraak is vermoedelijk geconcentreerd geweest in grotere eenheden, de latere kwartieren.”) Slechts de voornamere heren konden zich enigszins handhaven, maar zagen hun macht beperkt, respectievelijk gedeeld met de hertog. Dit was vermoedelijk de oorzaak van het tweede saillante punt: de gedeelde heerlijkheden zoals Oirschot en Hilvarenbeek, waar
de plaatselijke heren hun rechten voor de helft hadden moeten afstaan aan de hertog.
De oorsprong van allodiale heerlijkheden zoekt men dikwijls in een kerkelijke afkomst. Of dit in de Meierij opgaat, moet nog onderzocht worden.
Dat een allodiale heerlijkheid in die tijd reeds een uitzondering was, wordt geïllustreerd door de latere ontwikkeling. Oirschot wordt uiteindelijk op een of andere wijze een leen van de hertog van Brabant. Ook het hoe en waarom van deze overgang moet nog bestudeerd worden.
Uit de afzonderlijke akten is het sterkst naar voren gekomen het totale financiële debacle van Wouter van Oirschot. Daarnaast kan hij nog onder politieke druk gestaan hebben, aangezien in de betreffende jaren de machtspositie van hertog Jan II steeds sterker werd.
Dat het aanzien van Wouter van Oirschot in de Meierij opvallend geleden had, komt zeer sterk tot uiting in de manier, waarop de Bossche schepenen hem bejegenden. Hij wordt overal simpelweg betiteld als ‘Walterus de Orscot” Wouter van Oirschot’, terwijl alle andere betrokken personen steeds als ‘dominus” heer’ betiteld worden. Ook de vader van Wouter wordt betiteld als ‘heer Daniel’. Het is duidelijk, dat in het oog van de Bossche schepenen, die zakelijke jongens waren, Wouter van Oirschot in totale deconfiture verkeerde.


OMTRENT DE GRAFZERK VAN RICALT V DE MERODE
(RICHARD V DE MERODE)
In het torengebouw van de kerk van St.Petrus Banden is een grafzerk in zwart marmer te zien links van de toegang tot het schip. Opvallend is de soberheid van de zerk. Buiten de kwartieren en het centraal wapenschild is er geen tekst zichtbaar.
Alleszins is het de grafzerk van Ricalt (Richard) de Merode, kanunnik en heer van Oirschot. Zijn geboortedatum is onbekend. Richardson1 meldt als overlijdensdatum 20 mei 1553. De erfgoed-website stelt dit in 1559 (ref.onbekend). Lijten2
stelt 1523. Op de zerk staat geen enkele melding van geboorte-of overlijdensdatum.

Volgens dezelfde erfgoed-website staan volgende kwartieren op de grafzerk:
Links (vader):Merode, Wezemael, Petersheim, Bergues, HornesPerwijs, Rochefort, Reiferscheidt, Culenborg;
Rechts (moeder) : Hornes-Gaasbeek, Latrimoville (= La Tremouille), Lannoy, Brimeu, Montmorency , Fosseur, Villain en
Raes.

Deze kunnen getoetst worden aan de gekende kwartierstaten (fig.3 en 4): deze komen volledig overeen behalve dat Bergues zou gemeld zijn ipv.Bautersem.
Fig.2 Het wapen van de Merode, centraal op de zerk

Fig. 1 Zwart-wit foto van de zerk; verder de volgorde der kwartieren
aan beide zijden van de zerk.4

  1. De koop van Oirschot in 1320 is in Campinia meermalen ter sprake gekomen.
    A.M. Frenken, Documenten betreffende de kapittels van Hilvarenbeek, Sint 0edenrode en Oirschot, ‘s-Hertogenbosch 1956, noemt Rogier van Leefdaal op blz. 20 als heer van Hilvarenbeek van 1323 – 1331, wat niet juist is.[]
  2. De akte van 1320.04.24 werd gepubliceerd in het eerste nummer van Campinia (1971),
    blz. 42 met nogal enkele fouten en een regest, waarvan het tweede deel niet klopt.[]
  3. Het familie-archief van Merode – Westerlo bevindt zich in het algemeen rijksarchief
    te Brussel. Ofschoon blijkens de nummering der stukken vele medewerkers zich in
    de loop der jaren zich met dit archief hebben bezig gehouden, bestaat er nog steeds
    geen toegang tot deze, toch zeer belangrijke maar nog steeds chaotische, historische
    bron. Het monnikenwerk van Dr. H. Domsta, Geschichte der Lasten von Merode
    im Mittelalter, Duren 1981, kan, ofschoon dit natuurlijk niet de opzet was, als een
    toegang gebruikt worden. Voor ons onderzoek gaf het echter geen aanwijzing, omdat de in de familie van Merode opgegane geslachten geen onderwerp waren van
    Domsla’s onderzoek. Met de welwillende toestemming van de prins van Merode en
    de vriendelijke medewerking van Mevr. v.d. Nieuwenhuyzen konden wij zelf de bewuste oorkonden opsporen.[]
  4. Dr. M.H.M. Spierings, Het schepenprotocol van ‘s-Hertogenbosch 1367 – 1400, Stichting Zuidelijk historisch contact, Tilburg 1984, blz. 100 e.v.[]
  5. De laatste akte in deze vorm is van 1308.12.13. Oorkondenboek van Noord Brabant tot 1312, ed. H. Camps, nr. 770.[]
  6. De eerste akte van deze fase is van 1309.01.16. O.N.B., nr. 771.[]
  7. Spierings, Het schepenprotocol, blz. 101 e.v.; O.N.B., nrs. 813 en 873.[]
  8. O.N.B., nrs. 811, 880 en 887.[]
  9. want de voorliggende koopakte spreekt er niet over tenzij indirect, waar gezegd wordt, dat Wouter van Oirschot zijn goederen in Oirschot
    verkoopt ‘met alle rechten, die daar kennelijk toe behoren ‘en ‘zoals Wouter die goederen tot nog toe bezat‘.[]
  10. Rogier van Leefdaal was zoals bekend gehuwd met Agnes van Kleef, Gerard van
    Home met Yrmghard van Kleef, zoals ook zal blijken uit de koopakte van Hilvarenbeek.
    ((Voor de uitgebreide informatie over Gerard van Horne zij verwezen naar Drs. T.
    Klaversma, ‘De Horne’s 1296 – 1345’ in Publications de la société historique et archeologique dans le duché de Limbourg, 1985, blz. 7 – 68.[]
  11. Hoewel men voor deze tijd zelden iets met absolute zekerheid kan bewijzen, heeft T. Klaversma dit als hoogst waarschijnlijk aangetoond in zijn artikelen ‘De heren van Vught en Oirschot in de 12e en 13e eeuw’ in Campinia, met name nr. 31 (okt. 1978), blz. 148 – 151.[]
  12. H. Grotefend, Taschenbuch der Zeitrechnung des Deutschen Mittelalters und der
    Neuzen, Hannover 1971, blz. 77.[]
  13. 675 Jahre Kranenburger Kreuzwallfahrt 1983, ed. Katholisches Pfarramt Kranenburg, blz. 6. Overplaatsing: 17 maart 1436.[]