Arnoud II van Horne-Houtkerke

Arnoud II van Horne † 1505 Ridder-baanderheer, burggraaf van Veurne (Furnes) en Sint-Winoksbergen (Bergues-Saint-Winoc), heer van Gaasbeek, Houtkercke, Hees, Leende, Braine-le-Château, Geldorp, Brimeux (1/5e deel), Hondschote (en Pamele?). Kamerheer van Filips “de Schone” (1491). (Verheft de heerlijkheden Hees & Leende voor het Leenhof van Brabant op 10/08/1488). (Mede-ondertekenaar van de vrede tussen Keizer Maximiliaan en Vlaanderen op 16/05/1488). Trouwde met Margaretha van Montmorency, vrouwe van Pamele † na 1517 (dochter van Jan I, heer van Nevele, raadsheer & kamerheer van de hertog van Bourgondië, en van Gudula van Gent genaamd “de Villain”, vrouwe van Liedekerke, Huise en Ledeberg, kanunnikes van Maubeuge).

1502 mei 9
Philips (van Bourgondië), hertog van Brabant, als leenhof van Brabant, machtigt Arnt van
Hoerne, heer van Gaasbeek, diens leengoederen te belasten met 1000 ll ’s jaars t.b.v. het
huwelijk van Arnds’s dochter Margaretha met Rychard van Merode, heer van Pietersem.

Grauwels III nr. 2105

De familie van Horne-Houtkerke bezat blijkbaar een voornaam pand in Mechelen dat “In den Rooden schilt” heette. Momenteel doet het huis dienst als Bed&Breakfast.

Historiek

Het huis den Rooden Schilt kent een bijzonder rijke geschiedenis. Volgens F. Berlemont wordt het pand al in 1346 een eerste maal in de schepenakten van Mechelen vermeld. Op basis van een aantal van de behouden bouwelementen bestaat het vermoeden dat de historische kern van het huidige volume aan de IJzerenleen teruggaat op een zogenaamd driekwarthuis, een pand met een houten voorgevel en stenen brandmuren als zij- en achtergevels.

De oudste beschrijving van het pand die tot op heden teruggevonden kon worden dateert uit 1568. Deze beschrijving is echter summier, en maakt enkel melding van “een huis met binnenplaats, grond en achterhuis den Royen Schilt” genaamd op de Steenweg (de huidige IJzerenleen). Archiefgegevens melden ons wel dat het pand tot in 1774 aan de IJzerenleen voorzien was van een houten voorgevel. Jammer genoeg konden er geen documenten weerhouden worden die ons een beeld geven van het uitzicht van deze voorgevel (zie verder). We beschikken enkel over een tekening van Jan-Baptist De Noter uit 1790 die lijkt aan te geven dat er op dat moment nog verschillende houten gevels het straatbeeld van de IJzerenleen verrijkten. De achtergevel van het voorhuis en de achtergevel van het volume aan de tuinzijde zijn gebouwd in traditionele bak- en zandsteenarchitectuur. Op verschillende plaatsen zijn restanten van kruis- en kloostervensters zichtbaar. In de oostmuur van de vide is een voormalig kruisvenster met uitgebroken middenstijl en tussendorpel zichtbaar, geflankeerd door een dichtgemetseld kloostervenster. Beide hebben ooit buitenluiken gehad, de duimen hiervan zijn nog bewaard. De dagkanten van de natuurstenen omlijsting hebben ter hoogte van de benedenlichten dan ook een rechthoekig uitgespaard profiel. De dagkanten van de bovenlichten hebben een kwarthol profiel. Op basis van de onder de cementering zichtbare onderdelen was ook de eerste verdieping van de achtergevel van het volume aan de tuinzijde voorzien van kruisvensters.

In het interieur bevinden zich een aantal bouwelementen die de these van een houten driekwarthuis verder ondersteunen. Op de eerste verdieping van het volume aan de IJzerenleen is een houten balkenroostering zichtbaar met in totaal vijf moerbalken, in sommige gevallen ondersteund door geprofileerde consoles. De vloeren van de eerste verdieping (behalve van de traphal) zijn gelegd met zeer brede, gemiddeld 40 centimeter brede grenenhouten planken, die volgens de moerbalken zijn georiënteerd. De breedte van de hier gebruikte planken doet vermoeden dat ze in de 16de of 17de eeuw geplaatst werden.

Verder onderzoek van de kelder, momenteel ontoegankelijk, kan ons mogelijk ook interessante informatie aanleveren over de historiek van dit pand. Vermits er reeds vanaf 1578 sprake is van een afzonderlijk verhuurde kelder betreft het hier vermoedelijk een historische kelderruimte.

Den Rooden Schilt, een belangrijke afspanning aan het begin van de 16de eeuw

Enkele vermeldingen in archiefstukken tonen aan dat den Rooden Schilt aan het begin van de 16de eeuw een grote faam genoot als afspanning. In het begin van de 16de eeuw mocht de waard enkele malen Hertog Karel, de latere keizer Karel V met zijn zus en echtgenote verwelkomen : “… Hertoge Kaerle ende vrouwe Margriete Hertoghine Duwagier van Savoyen… in den Rooden Schylt”; “…hertoge Kaerle met zijne sustere ende met meer andere princen ende heeren…”; “…vrouwe Magrete Hertoge Kaerle met zijne zusteren ende met meer andere heeren…”. Dit gebeurde telkens ter ere van de “omeganghe van paesschen”.

Ook het stadsbestuur gebruikte soms de accommodatie van de herberg om een gelag te organiseren voor de één of andere belangrijke groep mensen. Zo vermelden de stadsrekeningen van 1511-1512 een “…ghelage gedaen te zyne huyse bij de heeren vanden stad ende gheschoncken eenighe heeren van Antwerpen…”. De Mechelse gilden maakten eveneens regelmatig gebruik van de ruimtes in het gebouw. Weer in 1511-1512 vermelden de stadsrekeningen een betaling aan de waard van de Rooden Schilt “…betaelt Willem van Craken weerdt inden Rooden Schilt van der camerhueren van den grooten boghe gevallen tot Sint Jansmisse anno XVc ende 12…”. Blijkbaar had een gilde van hand- of kruisboogschutters hier de gildenkamer voor een jaar. In 1567-1568 had het gilde van de schermers, ook de hellebaardiers genoemd, hun gildenkamer in de Rooden Schilt: “…hellebardiers gulde voor een jaer camerhure inden Rooden Schilt …”.

Niet toevallig dateren deze documenten uit de bloeiperiode van Mechelen. In 1473 werd de stad namelijk onder Karel de Stoute de gerechtelijke hoofdstad van de Nederlanden doordat hij er de zetel van de Grote Raad vestigde. De beslissing van Margareta van Oostenrijk om er zich in 1507 te vestigen maakte Mechelen ook tot politieke hoofdstad, en dit tot 1530. De aanwezigheid van de hofhouding van Margareta zorgde natuurlijk voor een grote bloei.

Den Rooden Schilt of de Bonte Koye in de loop van de 16de en de 17de eeuw

Na het vertrek van de koninklijke hofhouding naar Brussel vanaf 1530 kende Mechelen een sterke terugval die zich op verschillende vlakken uitte.

Omwille van het beperkt aantal documenten is het moeilijk om de geschiedenis van den Rooden Schilt te achterhalen. Vermoedelijk bleef het pand nog een tijdlang in gebruik als herberg. Zo werden in 1578 zowel het voorhuis, het achterhuis als de kelder afzonderlijk verhuurd aan verschillende betrokkenen, dit bleek ook in 1599 nog het geval. Een akte van de amman uit 1585 aangaande een betalingsprobleem omschrijft het pand als “een huis met binnenplaatsen, achterhuis, grond en alle aanhorigheden genaamd den Rooden Schilt op de oude Vismarkt bij de ijzeren lenen tussen het huis den Bonten Mantel en het erf van de heer Jan van Paessenrooden”.

Het wijkboek van de IJzerenleen dat circa 1647 werd opgetekend geeft aan dat het pand toegankelijk was via een gang. Jammer genoeg vonden we tot op heden geen overige archiefstukken die deze gang nader omschrijven. Mogelijk maakte deze gang het mogelijk om het voorhuis en het achterhuis afzonderlijk van elkaar te betreden. Beide werden immers zoals eerder aangegeven afzonderlijk verhuurd. Een huizenbelasting uit 1671 die een onderscheid maakt tussen een gedeelte gehuurd door Hendrick Smets en een deel in de “ganck” waar ook eigenaar des Maris resideerde wijst in dezelfde richting.

Het wijkboek geeft verder aan dat de naam van den Rooden Schilt later wijzigde in de Bonte Koye. Wanneer deze wijziging plaatsvond of wat daarvoor de reden was is tot op heden niet bekend. Zeker in 1703 was de benaming den Rooden Schilt nog steeds in gebruik, de oudste vermelding van de Bonte Koye die we terugvonden dateert uit 1721. Latere schepenakten uit onder meer 1746 en huizenbelastingen uit 1747-1749 leveren geen nieuwe informatie aan betreffende het pand.

Stadsarchief Mechelen Nr. 958 – Schepenregister 1496-1500 (114) – Page 7

Meester Bartelmeus Ymbrechs als proviseur gemechtich

ridder ridder van heeren Arnoud van Hoernen heere van Gaesbeeck etcetera ende heere Jan
van Hoerne, oic ridder heere van Bausignies etcetera joncheer Fransoie van Hoeven
heere van Loires etcetera ende joncheer Anthoenis van Hoernen heere van Heubesent
gelyc ons dat by eender procuracien daer op gemaect ende ve bezegelt met des voirscreven heeren Arnouds ende Jans zegele ende joncheeren een ende nu Anthoenis Fransoys van Hoernen zegelen, claerlic elcke, bleeck Ende heeft opgedragen ende overgegeven tot behoef van Willem van Hoerne natuerlic zoon vanden voerscreven etcetera

wylen heere Philips van Hoernen etcetera  zaliger dachten, Een huys metten plaetsen
hove gronde etcetera geheeten den Rooden Schilt gelegen aen de Steenwech van Mechelen tusschen thuys dMoelenyser geheeten toebehoerende, Lysbetten Smets aen deen zyde ende thuys geheeten den Bonten Mantele, toebehoerende den ambachte vanden Beckers aen dan zyde dander zyde streckende achterwaert metten voerscreven hove met eenen cleynen huyse ende met twee poirten tot inde Beghynen strate tusschen der voirscreven Lysbetten Smets erve aen deen zyde ende Gielis van Herpe erve aen dander zyde. A Domino Mechliniensi, Waranderende etcetera

De Transactie

Meester Bartelmeus Ymbrechs, handelend als gevolmachtigd beheerder (proviseur gemechtich) voor een groep edellieden uit de familie Van Horne, draagt een eigendom over aan Willem van Horne.

De betrokken personen (De volmachtgevers)

De ridders die de volmacht gaven, zijn zwaargewichten uit de stamboom die we eerder bespraken:

  1. Arnoud van Horne: Heer van Gaasbeek.
  2. Jan van Horne: Ridder en heer van Baucignies (Bassigny). Dit is de tak die we eerder linkten aan de Westhoek en de latere titels van de Vaernewycks.
  3. Fransoie (Frans) van Horne: Heer van Locres (Lokeren).
  4. Anthoenis (Antoon) van Horne: Heer van Heubersent (hier geschreven als Heubesent).

De ontvanger

  • Willem van Horne: Omschreven als de natuurlijke (onwettige) zoon van wijlen Heer Philips van Horne (zaliger gedachten). Dit is zeer interessant, want dit bevestigt dat Philips van Horne ook een tak met onwettige afstammelingen had die in de steden (zoals Mechelen) werden voorzien van onroerend goed.

Het vastgoed: “Den Rooden Schilt”

Het gaat om een indrukwekkend complex:

  • Naam: Het huis heet “Den Rooden Schilt”.
  • Locatie: Gelegen aan de Steenweg van Mechelen.
  • Buren:
    • Aan de ene kant: Het huis “De Moelenyser” (het Molenijzer), eigendom van Lysbetten Smets.
    • Aan de andere kant: Het huis “Den Bonten Mantele”, eigendom van het Bakkersgilde (den ambachte vanden Beckers).
  • Omvang: Het is niet zomaar een huis; het heeft een plein, een hof (tuin), een kleiner achterhuis en twee poorten die uitkomen in de Begijnenstraat. Dit duidt op een zeer groot stadspand dat van de hoofdweg helemaal doorliep naar de achtergelegen straat.

Juridische slotformule

  • A Domino Mechliniensi: Dit betekent dat het leen afhankelijk is van de Heer van Mechelen.
  • Waranderende: De verkopers garanderen (“waren”) dat het goed vrij is van onvoorziene schulden of claims.

Belangerijke punten:

  1. Baucignies & Houtkercke: Je ziet hier Jan van Horne (Baucignies) en Anthoenis van Horne (Houtkercke) samen optreden in één akte. Dit bewijst hun nauwe familieband en gezamenlijke zakelijke belangen.
  2. Mechelen-connectie: Naast Gent en de Westhoek blijkt de familie dus ook stevig verankerd in Mechelen.
  3. Willem de bastaard: De “Willem” die we eerder in Butkens vonden (de bastaard van Gaasbeek), krijgt hier gezelschap van een andere Willem (bastaard van Philips). Het Huis van Horne zorgde blijkbaar goed voor hun natuurlijke kinderen door hen huizen in de steden te schenken.

Blijkbaar bezaten de van Horne een reeks aan vastgoed in Mechelen:

Stadsarchief Mechelen, Nr. 958 – Schepenregister 1496-1500 (114) – Page 62 

Boghen tot behoef van Rommonden van Afschende ende van Pasquynen van Boenst:t; synen drie haeren wive, alle recht ende deel dat de selve tafelenst:t; hadden, inde erffelike goeden metten gronde etcetera die tanderen tyden totter selven drie tweelen behoef voir achterstelligen van twelf Rinsgulden ende hadden jaerliken ende erffeliken chys die de voerscreven tafelen hebben opte selve goeden hier naer bescreven wettelic vutgewonnen ende verreyct zyn geweest, ierst Op drie huys metten metten hoven gelegen deen neven dandere inde Augustynstrate tusschen Jans vanden Voirt erve aen deen ende Jans vander Nuwermoelen des jongen erve aen deen man dander zyde. Item in haer lieder twee huysen, metten plaetsen gelegen tegen de voirscreven drie huysen over tusschen Rommonds vanden Broeke erve aen beyden zyden Item in haerlieder twee huysen metten plaetsen gelegen deen neven dandere achter der weduen ende kynderen van wylen Ancelmus van Morbeke erve, tusschen der selve weduen ende kynderen van Meerbeke erve aen deen zyde ende der weduen vander metten hove straten erve aen dander zyde. Item in haerliede huys gelegen inde Bleecstrate tusschen der weduen ende kynderen erve van wylen Willem de Gorttere aen deen zyde ende Willems vander Borch erve aen dander zyde. Item in haddest:t; huys metten hove gelegen inde Adegheemstrate opten hoeck van eender straten aldaerst:t; men gaet ter veelen weert tusschen de selve strate aen deen zyde ende thuys geheetenst:t; den Vossensteert toebehoirende Willem Spoelberch aen dander zyde Item in eenen gouden Peters elken van dien tot sessendertich grooten Vlaems gelts gerekent erffelix chys Op een huys metten hove gronde toebehoerende der voerscreven weduen ende kynderen van Moebeke inde voerscreven Augustynstrate gelegen tusschen wylen heer Philips van Hoerne erve aen deen zyde ende des voerscreven Rommonds ende syns wyfs erve aen dander zyde, Ende inde voergenoemde twaelf Rynsguldenen elken van dien tot veertich groten Vlaems gelts gerekent, de voerscreven jaerlix ende erffelicx ch. A Domino Mechliniensi, Waranderende etcetera