A site dedicated to the illustrious House of Horne
Tak van de Bossche/Cnode van Erp*
*)Het discours over het wel of niet afstammen van de van Hornes van de familie van den Bossche “Cnode” is nog gaande. Doordat zij zegelden met het wapen van de van Hornes met de Barensteel (de tak van Horne-Perwijs), en erflaters waren aan de familie van Horne over hun uitgebreide goederen o.a. in de omgeving van Erp zijn er in het verleden aannames gedaan door o.a. M. Spierings en daarop volgend G.M. van der Velden dat zij wellicht zélf van Hornes waren en of via de vrouwelijke lijn er van afstamde. In de protocollen en oorkonden komt met enige regelmatigheid de naam van Dirk van Horne-Perwijs voor in relatie tot de bezittingen van Willem van den Bossche, zijn testament had de aandacht van Dirk van Horne-Perwijs die met zijn moeder het goed Herlaar bij St. Michielsgestel beheerde. Historisch gezien is volgens Hans Vogels e.e.a. met de huidige gegevens niet kloppend te krijgen. Hij stelt hier over:
Een van die nieuwe items gaat het 1e huwelijk van Willem I van Horne en Altena worden en de kinderen daaruit: Gerlach en Clementia x Gerard van Malberg). Zie ook een eerder bericht hier op het forum: https://groups.io/g/MiddeleeuwseGenealogie/message/14622 . Omdat de heerlijkheid Horne en Altena doorvererfd op Willem II, de oudste zoon uit vaders tweede huwelijk, kunnen we constateren dat de zoon Gerlach uit het eerste huwelijk moet zijn overleden vóór zijn vader die eind 1264 stierf, en dat deze Gerlach geen zonen heeft nagelaten. Er zijn evenwel indicaties dat Gerlach van Horne wel degelijk nageslacht heeft gehad. In ridder Gerlach Knode van den Bosch valt een kleinzoon van Gerlach van Horne te herkennen. Dat deze een familielid (nepos) van Willem II van Horne en Altena was, is al langer bekend. Het blijkt ook Gerlach’s familiewapen (Horne met barensteel). Ook over de herkomst van Willem I van Horne’s eerste vrouw ben ik iets wijzer geworden al kan ik dit enkel beredeneren.
Het voorgaande is een verbetering van mijn eerdere opvatting dat ridder Gerlach Knode van Den Bosch een dochter was van Margareta van Horne, dochter van Willem I van Horne en Altena uit diens 2e huwelijk. Van deze Margareta was bekend dat ze in 1264 net gehuwd was met Albert van Voorne, oudste zoon en erfgenaam van de heer van Voorne. De Van Voorne’s zijn menigmaal onderwerp geweest hier op het forum. Zie o.a. ook bericht 14799 uit 2021: https://groups.io/g/MiddeleeuwseGenealogie/message/14799 Albert van Voorne (oudste zoon) en zijn vrouw Margareta (enigste dochter uit 2e huwelijk) waren beide ebenbürtig zodat het hoogst onwaarschijnlijk werd dat Margareta vooraf aan haar huwelijk met Albert eerder gehuwd zou zijn geweest met een Bosche ridder. Het gegeven dat Albert na zijn huwelijk met Margareta ook nog eens hertrouwde was de verdere doodsteek voor mijn eerdere opvatting aangezien Albert van Voorne pas in 1287 overleed. De hypothese van een Margareta van Horne als moeder van ridder Gerlach Knode van Den Bosch is derhalve onhoudbaar gebleken.
Ridder Willem (Knode) van Den Bosch had – zo blijkt uit zijn testamenten en aanvullingen – diverse erfgenamen en begunstigden. Eentje ervan was een neef Gerlach Cnode. Van deze zijn diverse zonen bekend die later in Erp en Veghel gegoed blijken te zijn. Zo blijkt het patronaatsrecht van de kerk van Erp later nog discussiepunt tussen de families Van Broechoven (2/3 eigenaar) en Cnode (1/3 eigenaar) en hun erfopvolgers. Een en ander werd zelfs rechterlijk betwist. In enkele later stukken word ridder Willem van den Bosch zelfs aangeduid als een Van Horne. Gezien zijn Hornse voornaam Willem en zijn Hornse wapenschild ook niet verwonderlijk maar wel een aanname die historisch niet klopt. Ik zit samen met Wim Cöp in een onderzoek (en vervolgartikel) om de eigenaren van dat patronaatsrecht (genealogisch) nader in kaart te brengen.
Hans Vogels
Onlangs is in jaargang 45 (2202) 1/2 in februari 2025 door Ir. J. Timmers onderzoek gedaan naar de vermoedelijke locatie van het “kasteel” of versterkt huis ook wel Mansio genoemd te bepalen en is tot verassende conclusies gekomen, een deel van de redactie werd gevoerd door de hierboven genoemde Hans Vogels.
Het kasteel van ridder Willem van Den Bosch in Erp
Ridder Willem van Den Bosch was in de vroege veertiende eeuw een van de rijkste, zo niet de allerrijkste man in de meierij van Den Bosch. Verspreid over de meierij bezat hij veel onroerend goed in eigendom. Daarnaast had hij ook andere inkomsten, zoals cijnsen en erfpachten die andere grondeigenaren aan hem moesten betalen. Naast een forse woning in Den Bosch, waarin hij later het klooster van de Clarissen liet stichten, bezat hij ook een edelmanswoning in Erp, waar hij ook regelmatig verbleef. Van de hertog van Brabant kreeg hij de heerlijkheid Erp als pandheer. Ook daaruit kwamen de nodige inkomsten. Ook was hij, minstens voor een deel, heer van Moergestel. In de testamenten van Willem van Den Bosch wordt vermeld dat zijn bezit deels door hemzelf was verworven, maar ook voor een belangrijk deel afkomstig was van zijn voorouders, de Cnodingen. Hij was enig kind van Gerlach of Geerling van Den Bosch en Aleid, de dochter van de heer van Heusden. In een oorkonde van 6 januari 1304 wordt vermeld dat vader Gerlach van den Bosch, ridder, eigenaar was van een twintigtal hoeven, hetgeen voor een ridder in de Meierij een zeer groot grondbezit geweest moet zijn. 1 Ook Gerlach was enig kind en had ook al heerlijke rechten in Moergestel en Erp. Ridder Willem van Den Bosch zelf was gehuwd met Elisabeth van Boxtel. Alhoewel Willem en ook zijn vader Gerlach doorgaans Van den Bosch worden genoemd, zijn zij leden van de familie Cnode. Ook andere Cnodingen worden soms als Van den Bosch aangeduid.
Willem van Den Bosch, maar ook zijn vader Gerlach hadden een familieband met de familie Van Horne. Zij voerden beide het familiewapen van de Hornes, aangevuld met een barensteel. zelfs aangeduid met de naam Van Horne alias Van Den Bosch. Familielid Dirk van Horne werd aangesteld als de uitvoerder van Willems testament en hij was zijn belangrijkste erfgenaam. 3 Uit alles blijkt dat Willem van Den Bosch een speciale band had met de Van Hornes. Hoe de familierelatie precies in elkaar zat, is in de bronnen niet vermeld, maar het meest waarschijnlijk is dat Willem Cnode, de grootvader van Willem van Den Bosch, gehuwd was met een vrouw uit de familie Van Horne.
Het gaat ons om het bezit van ridder Willem van Den Bosch in Erp, dat volgens zijn testament vooral afkomstig was van de familie Cnode. Met name zijn woning in Erp krijgt de aandacht. Een gebouw dat in meerdere publicaties het kasteel van Erp wordt genoemd.
2
Op zoek naar het kasteel Pastoor Meuwese haalt in zijn boek “Erp, Gemeente en Parochie”, Philips baron van Leefdael aan, die een kasteel in Erp noemt: “Onder Erp op seekere plaetse, Ophoove ghenaemt, aen de riviere d’Aa gheleegen, heeft weleer ghestaen een casteel, in dien tyde toebehoorende aen seekere riddere van de familie Rover, waervan nogh eenige tot Erp in de kerck in hun ridderlijck ghewaet in de ghelaesen staet gheschildert. Deese plaetse voorscreven met de goederen daeraen behoorende coomen nu toe aen de commandeurie van Gemert”. 9 Zoals verderop zal blijken is Van Leefdael niet goed geïnformeerd als hij schrijft dat het kasteel voorheen van de familie Rover was. Barten schreef hierover ook al eerder dat de hoeve, die eigendom was van de Commanderij Gemert, in de 16 de eeuw behoorde aan jonker Van de Donck, dat de hoeve aanvankelijk werd aangeduid met de naam Hoeve Op Hove of Hofgoed op Hove, in de 18 de en 19 de eeuw met Hoefsche Hoeve en tegenwoordig met de naam de Hoekse Hoef De hoeve bevindt zich in buurtschap De Hoek. Barten citeert pastoor Meuwese, die in zijn boek bij de mededeling van Van Leefdael vervolgt met: “’t is in Erp een traditie dat er op de plaats van de boerderij die nu nog Op ’t Hof heet (…) weleer een kasteel heeft gestaan”. 10 Barten merkt daarbij op dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend is dat de naam ‘Ophoove’ en ‘Op ’t Hof’ identiek zijn. Hij schrijft dat er op de Wasaa in Erp in de 18 de eeuw een hoeve met de naam Het Hof lag. Welk van die twee zou dan het “Ophoove” van Van Leefdael zijn? Om de vraag naar de plaats van het Erpse kasteel nog ingewikkelder te maken, noemt Cornelissen locaties op, die oftewel door Meuwese, oftewel door oudere inwoners van Erp, genoemd worden. Hij concludeert: “Als alle geruchten waar zouden zijn, hebben we in Erp dus zes kastelen gehad” 11 . Op al die geruchten gaan we niet in, maar de twee locaties met de namen Ten Hove op De Hoek en Het Hof op de Wasaa intrigeren beide.
De testamenten van Willem van Den Bosch Willem van Den Bosch liet twee testamenten opstellen en daarna nog eens een aantal aanvullingen daarop. Voor de Erpse goederen is vooral het tweede testament van belang, dat opgemaakt werd in Erp op 28 augustus 1335. Willem bepaalt dat al zijn goederen, die hem waren aangekomen vanuit de familie Cnode, in vier delen verdeeld moesten worden. Het eerste een kwart viel toe aan Geerling Cnode, bijgenaamd Goede Geerling, zijn bloedverwant. Het tweede kwart viel toe aan de wettige kinderen van wijlen ridder Dirk Rover. Het derde kwart kwam toe aan de kinderen van ridder Emont Rover. Uit genealogisch onderzoek naar de familie Rover blijkt dat Emont Rover en Dirk Rover broers 12 waren en kleinzonen van Hilla, hoogstwaarschijnlijk dochter van Wellen Cnode.
Hilla was een zus was van de grootvader van Willem van Den Bosch. Het vierde kwart tenslotte zou toekomen aan ridder Jan Cock van IJnen, samen met de priester Jan van Tuil. Deze genoemde personen, Geerling Cnode, de kinderen van Emont Rover en zijn broer heer Dirk Rover en zijn broer Emont en de heren Jan Cock en Jan van Tuil namen een bijzondere positie in binnen de erfenis van Willem van Den Bosch. Ze werden aangenomen als mede-erfgenamen en adoptief zonen 13 en erfden de Erpse goederen, die Willem van Den Bosch zelf al eerder had geërfd vanuit de familie Cnode. Die goederen bleven op die manier behoren tot de (erfgenamen van de) familie Cnode, zoals uit bijgaand familieschema blijkt. Daarnaast zouden deze personen ook nog met alle andere erfgenamen meedelen in de andere goederen die ridder Willem van Den Bosch zelf had
3
gekocht en verworven. Binnen de groep Cnode-verwanten speelde de eerstgenoemde, Goede Geerling, de hoofdrol. Hij kreeg van Willem van Den Bosch nog voordat de rest van de nalatenschap werd verdeeld, sowieso zijn hoeve in Moergestel. Hij wordt bovendien als eerste genoemd bij de Erpse goederen en hij is het die het kasteel van Willem van Den Bosch in Erp zal erven. De familierelatie van Jan van Tuil met de Cnodingen is onbekend. Jan van Tuil was een naaste medewerker van Willem van Den Bosch. Hij woonde, samen met Willem, in diens huis in Den Bosch.
De cijnsen van de familie Cnode Willem van Den Bosch had in Erp naast zijn kasteel nog veel andere goederen, die eerder al van zijn vader Gerlach waren. In zijn testamenten worden de afzonderlijke bezittingen niet genoemd. Uit andere bronnen weten we dat vader Gerlach in Erp minstens vijf hoeven bezat. 15 Daarnaast blijkt ook dat diverse cijnsen uit onroerend goed tot de eigendommen behoorden. In een Bossche schepenakte worden cijnsen door Jan, zoon van wijlen heer Geerling Rover ridder, met goedkeuring van zijn broer Dirk Rover, verkocht aan Aart Hoernken. 16 Er wordt bij vermeld dat de cijnsen eertijds toebehoorden aan ridder Willem van Den Bosch en daarna aan voornoemde heer Geerling Rover. Geerling Rover is een zoon van ridder Dirk Rover, één van de vier begunstigde partijen in Erp voor de goederen die Willem van Den Bosch waren aangekomen van de familie Cnode.
8
De mogelijkheid dat Willem van Den Bosch de cijnsen had van de hertog van Brabant als pandheer van de heerlijkheid Erp kunnen we uitsluiten. Hoe zat dat? In 1334 had Willem van Den Bosch aan de hertog mannen en huislieden ter beschikking gesteld en 48 pond oude groten aan geld bijgedragen voor een schatting die de hertog moest betalen. In ruil daarvoor gaf de hertog op 4 februari 1335 aan Willem zijn dorp Erp als onderpand. Voor het geldbedrag van 48 pond oude groten zou de hertog het dorp Erp terug kunnen krijgen. In het cijnsboek van de hertog van 1340 staan opvallend weinig Erpse cijnzen vermeld, waaruit geconcludeerd kan worden dat de hertogelijke cijnzen bij de verpanding aan Willem van Den Bosch waren inbegrepen. Willem is overleden op 18 september 1344. De heerlijkheid Erp zou normaal gesproken aan zijn erfgenamen zijn gekomen, maar een dergelijke opvolger als heer van Erp is niet bekend. Omstreeks 1350 werd Erp namens de hertog door de schout van ‘s-Hertogenbosch beheerd. In 1350 machtigde de hertog van Brabant Jan Dickbier, schout te ‘s- Hertogenbosch, om ‘onsen dorpe van Erpe met alle zijne heerlickheden ende toebehorten’ te regeren zoals hij eerder Bac bevolen had. Dus ook al voor 1350 werd Erp namens de hertog beheerd. In 1355 werd het pandschap van de heerlijkheid Erp door de hertog afgelost, en dat is ook weer inclusief de hertogelijke cijnzen. 17 De cijnsen die Jan Rover in 1383 verkoopt zijn dus geen voormalige hertogcijnzen. Willem van Den Bosch had ze uit de erfenis van zijn vader Geerling en zijn grootvader Willem. De cijnzen zullen voortgekomen zijn uit eigen goederen van de familie Cnode, die zij eerder als cijnsgoed hebben uitgegeven. Het cijnzenpakket omvat 53 cijnsposten, die allemaal betrekking hebben op goederen in Erp. In een aantal gevallen wordt bij een cijnspost vermeld waar het betreffende onroerend goed in Erp lag. We komen de volgende namen van percelen tegen: Meerakker, Lange Reek, Schild, Oudveld, Kerkenberg, Hilbraak, Boonhof, Heiderbraak, Langenberg, Wijnschoot, Roijsakker, Roosten, Rodeakker, Poncel, Zwijnsput, Hoge Bolst, Bunt, Venakker, Haverland en Ottenveen. Naast deze cijnzen uit percelen waren er ook cijnzen uit een hoeve. De volgende hoeven worden met name als cijnsgoed genoemd: Ter Ynde, Ponsendaal, Hackenem, Erlikem, Lampelaar, Odevaarsnest en de Wasaa. Vooral de goederen op Hackenem en Erlikem gaan ver terug in de tijd. Beide namen zijn zogenaamde heem-namen en ze duiden op woonplaatsen die al in de vroege middeleeuwen moeten hebben bestaan. Opmerkelijk is dat niet alleen de cijns in de 14 de eeuw eigendom is van erfgenamen van Willem van Den Bosch, maar ook een paar cijnshoeven zelf. Zo is Dirk van Horne, de belangrijkste erfgenaam van Willem van Den Bosch, in 1353 eigenaar van de helft van de hoeve Odevaarsnest. Later zien we als eigenaar Hilla Jan Aykens, een kleindochter van Hilla Rover. Wellen Rover bezat in 1383 goed op Hackenem, dat overging op zijn zoon Aart. Kennelijk was dat goed belangrijk, want Aart zien we in de archieven genoemd als Aart van Hackenem. Het goed Ponsendael werd eigendom van Leunis van Erp van Ponsendael, kleinzoon van Elisabeth, dochter van Geerling Cnode. En de hoeve Ter Ynde was in 1386 van Jan van Tuil. 18
De hoeven van de familie Cnode Het uitgebreide bezit van Willem van Den Bosch in Erp omvat naast de cijnzen, waaronder zeven cijnshoeven, het nodige roerend en onroerend goed. In het testament van Willem van Den Bosch worden nog eens zes hoeven in Erp genoemd. Ze waren al in bezit van diens vader Gerlach. Ze zijn volledig eigendom en zullen bij de erfdeling terecht gekomen zijn bij leden van de familie Cnode en de daaraan verwante families Rover en De Cock. Zo zien we dat het goed Te Loo eigendom wordt van de kinderen van ridder Emont Rover. Zijn dochter Mabelia, gehuwd met Zeger van Ypelaer, is de volgende eigenaar. Daarna komt het goed Te Loo in handen van dochter Katelijn van Ypelaar, gehuwd met Adam van Berchem. Het goed Ten Bleckers is in 1369 eigendom van Geerling, zoon van
9
Jan Elyas en Beel van Gemert. 19 Beel was een kleindochter van Emont II, heer van Gemert, en van Aleid Rover, dochter van Hilla Cnode. In het testament van Willem van Den Bosch bepaalde hij al dat zijn erfgenaam Jan Cock uit diens erfdeel jaarlijks 32 pond moest betalen aan joffrouw Beel van Gemert en haar kinderen. De Wasaa verdient nog nadere aandacht, omdat het mogelijk de plaats zou zijn van het kasteel van Willem van Den Bosch. Op de Wasaa lagen meerdere hoeven, waarvan we er minstens eentje hiervoor tegenkwamen als een cijnshoeve, afkomstig van de familie Cnode. Die hoeve was al cijnsgoed in de tijd van Willem van Den Bosch en is daarom zeker geen kasteel kandidaat. In de buurt ervan lag wel het goed De Wasaa. In 1394 woonde daar Leunis, zoon van Peter van Erp en hij gaf in dat jaar op 16 november zeven verschillende erfpachten uit die geleverd moesten worden op de Wasaa In 1399 gaf de volgende bewoner, Jan bastaardzoon van Roelof Rover van Broekhoven, investiet van Erp, ook een erfpacht uit, te leveren op de Wasaa. 20 . Leunis Peter van Erp en Roelof Rover van Broekhoven of hun directe voorouders worden niet genoemd in het testament van Willem van Den Bosch. Het goed de Wasaa speelde wel een bijzondere rol in Erp. Het goed ontwikkelde zich tot een hoeve waar jaarlijks de nodige erfpachten moesten worden afgeleverd. Die ontwikkeling kan ertoe hebben geleid dat de hoeve in de 18 de eeuw De Hof werd genoemd. Het goed de Wasaa lijkt niet in het bezit geweest te zijn van Willem van Den Bosch. De Hof in de Wasaa kunnen we wegstrepen als een mogelijke kandidaat voor het kasteel van Willem van Den Bosch. Het goed Ten Hove Als kandidaat voor het kasteel van Willem van Den Bosch blijft over het goed Ten Hove. Dat blijkt zelfs een allodiaal bezit te zijn. In een Bossche schepenakte van 28-7-1429 (BP R1199 f85v) lezen we 21 : “uit goederen genaamd tHofguet van wijlen Gerlacus Cnode in Erp en uit het toebehoren, welk goed voornoemd genaamd tHofguet allodiale goederen zijn”. Het hofgoed Ten Hove op De Hoek blijkt het gezochte kasteel te zijn. Geerling Cnode, alias Goede Geerling, als belangrijkste Erpse erfgenaam, erft het van ridder Willem van Den Bosch. Bij Ten Hove zal ook het derde deel van het patronaatsrecht van Erp hebben behoord. Immers zoon Hendrik Cnode had het, naast Ten Hove, in bezit. Hoewel het niet expliciet in de testamenten van Willem van Den Bosch wordt genoemd, moet hij al eigenaar geweest zijn. Meuwese maakt melding van een pauselijke bul van Alexander VI over het patronaatsrecht. Daaruit blijkt dat hierover onenigheid had bestaan tussen de edele heer Willem van Horne alias De Busco, ridder, en Andries van Broekhoven.
Er wordt gesteld dat dit recht de ene keer toekomt aan Willem (of zijn erfgenamen) en de twee volgende keren aan Andries (of zijn erfgenamen). Daarbij wordt verwezen naar oudere brieven hierover. 22 Willem bezat dus een derde deel en Andries tweederde van het patronaatsrecht. Het deel van Andries was verbonden aan de cijns van Tartwijk, die ruste op grondpercelen in Eersel. Die cijns was een leengoed van de abdij van Sint Jacob in Luik. Leden van de familie Van Broekhoven blijven lange tijd eigenaar ervan. 23 Het andere, derde deel van het patronaatsrecht was kennelijk verbonden aan het bezit van het goed Ten Hove. In een resolutie van de Raad van State van 1682 wordt vermeld dat Gerlach van Horne alias Van Den Bosch destijds het patronaatsrecht in bezit had als stichter van de kerk van Erp. Bij een vonnis van de Raad van Brabant van 1668 worden de ouders van Gerlach als kerkstichters genoemd. 24
Met de edele heer Willem van Horne alias De Busco, ridder, in de pauselijke bul zal ridder Willem van Den Bosch bedoeld zijn. De bul dateert weliswaar van 1495, maar er wordt verwezen naar oudere brieven en een latere ridder Willem van Horne alias Van Den Bosch is als eigenaar van het derde deel van het patronaatsrecht niet bekend. Met Gerlach van Horne alias Van Den Bosch uit de stukken van 1682 en 1668 zal de vader van Willem bedoeld zijn. Willem van Den Bosch en ook diens vader Gerlach waren leden van de familie Cnode en komen niet alleen voor met de alias Van Den
10
Bosch, maar ook met de toenaam Van Horne. De naam zal ontleend zijn aan de echtgenote van Willem Cnode, die uit de familie Van Horne afkomstig was. Zij was de moeder van Gerlach en de grootmoeder van Willem van Den Bosch. 25 Ook bij de tiende van Erp zien we een verdeling in de verhouding eenderde-tweederde. Eén van de nakomelingen van Goede Geerling blijkt eigenaar te zijn van het derde deel van de tiende (samen met het derde deel van het patronaatsrecht). Het is verleidelijk om te veronderstellen dat het gehele patronaatsrecht en de volledige tiende afkomstig zijn van de familie Cnode. Te meer omdat Gerlach of diens ouders als stichter van de kerk worden genoemd. Die laatste uitspraak is wat onzeker en zou gestaafd moeten worden en dan blijft ook nog de vraag hoe de familie Van Broekhoven aan haar deel ervan is gekomen. In de stukken van wordt gesproken van Toch wordt door de beschikbare gegevens de suggestie gewekt dat de familie Cnode al generaties lang een bijzondere positie innam in Erp en daar een uitgebreid allodium in bezit had. Dat allodiaal bezit was inmiddels uiteengevallen. Deels als cijnsgoed uitgegeven en deels was het opgesplitst onder familieleden. Verder onderzoek naar de voorgeschiedenis van dat bezit zou dat kunnen bevestigen.
De aard van het kasteel Ridder Willem van Den Bosch liet één van zijn testamenten opstellen op zijn woning in Erp. Het gaat om zijn tweede testament opgemaakt op 28 augustus 1335 “ in Erpe in superiori camera dicti testatoris, sita ibidem infra aquas…”. Vertaald: “… in Erp op de bovenste kamer van de testateur, gelegen aldaar binnen het water…”. 26 De woning van Willem van Den Bosch was dus omgeven door grachten en had minstens twee verdiepingen. In een latere schepenakte van Den Bosch wordt dat huis aangeduid met de Latijnse term ‘mansio’, dat gebruikelijk was voor grote edelmanswoningen in de stad. Willem had in Den Bosch ook een pand dat werd aangeduid met de term ‘mansio’. Daarin werd na zijn dood het klooster van de Rijke Klaren gesticht. Het is duidelijk dat de woning van Willem in Erp een aanzienlijk pand was van meerdere verdiepingen, daarom waarschijnlijk opgetrokken in baksteen en omgeven door een gracht. Je zou het een kasteel kunnen noemen, maar in de latijnse schepenakten wordt het nooit aangeduid met het woord ‘çastrum’, dat voor grote kastelen gebruikelijk was. We kunnen de woning heel goed aanduiden met edelmanswoning of met de term ‘hooghuis’, die vaker wordt gebruikt voor kleinere kastelen of woontorens. In deze tekst blijven we de term kasteel gebruiken, maar het is goed om de vorige opmerking daarbij in gedachten te houden. In een artikel in het Erpse heemkundetijdschrift Erthepe neemt Cornelissen een afbeelding op van een tekening uit 1590 van de kerk van Erp. 27 Daaraan is een ronde toren met een grote poort toegevoegd. De toren moet in Erp hebben gestaan, maar omdat de kerk ook is afgebeeld lijkt het niet te gaan om een kerktoren. Cornelissen suggereert dat deze Erpse toren een onderdeel of restant geweest kan zijn van het Erpse kasteel. Als Philips, baron van Leefdael, in 1645 over Erp schrijft, noemt hij deze toren echter niet. Wellicht is hij dan verdwenen.
Fragment van een kaart van de Rooise heide; kopie van een kopie van 1590, vervaardigd door landmeter Excil Grooft in 1650. Rechtsboven de kerk met een toren in Erp. Linksonder is de kerk van Veghel afgebeeld liggend aan de rivier de Aa.(BHIC, archief Dorpsbestuur Sint-Oedenrode, nr 114).
De vraag is echter of de toren op de tekening als losse woontoren bedoeld is. Hendrik Verhees tekende de Erpse kerk en daar staat de kerktoren los van de kerk zelf. Ook op de kadasterkaart van Erp blijkt de kerktoren min of meer losstaand te zijn. Er zijn slechts twee lage verbindingsmuren te zijn. De toren op de oude tekening wijkt qua vormgeving en materiaalgebruik echter af van die van de kerk. Hij is rond, terwijl de kerktoren vierkant is. Het blijft onduidelijk hoe de toren op de tekening geïnterpreteerd kan worden.
Links de kerk van Erp volgens Verhees in 1788, rechts het kadaster 1811-1832
12
In de oorkonden over het goed Ten Hove worden geen beschrijvingen of bijzonderheden van de gebouwen genoemd. We vinden daarover wel iets bij de overdracht van het goed Ten Hove in Erp aan de Kommanderij Gemert. In 1611 is de omschrijving van het goed: Eene hoeffve lants met allen haeren edificien, huijsinghen ende structuren met henne gronden, hoven, ackerlanden, weijden, beempden, heytvelden, houtwasschen, ende andere rechten, ende toebehoirten derselver gestaen ende gelegen binnen der parochie van Erp gemeynlicken genoempt de hoeffve op Hove. 28 Het is dan nog steeds een omvangrijk bezit. Eind 18 de eeuw laat de Kommanderij Gemert van alle hoeven, die ze als allodiaal goed bezitten, een kaart maken door een landmeter. Ook de hoeve Ten Hove, dan onder de naam Hoofsche Hoeve, wordt getekend en daar vinden we weer wat bijzonderheden terug. 29 Direct in het oog springt een nagenoeg rond perceel met daarop de gebouwen van de Hoofsche Hoef. Daaromheen bevindt zich deels een brede rondlopende strook weiland, aan de oostzijde begrensd door water. Een rondlopende gracht is goed voorstelbaar. Of het dan zou gaan om één brede gracht of misschien een dubbele gracht kan alleen door bodemonderzoek worden vastgesteld. De kaart van eind 18 de eeuw geeft voldoende voer om hierin een voormalig kasteel of woontoren te kunnen zien. De kaart kan goed vergeleken worden met de oudste kadasterkaart van het gebied van 1832. De Duitse Orde is dan opgeheven en de goederen zijn in bezit gekomen van de domeinen, maar het voormalige Duits Ordens bezit is op het kadaster van 1832 prima aan te wijzen. Vergelijken we de locatie met de moderne situatie dan zien we dat op de plaats van de Hoofsche Hoeve nog steeds een agrarisch bedrijf is gevestigd, nu met de naam Hoekse Hoef.
Fragment van de kaart van de Hoofsche Hoeve, zoals die in het archief van de Duitse Orde voorkomt. Opvallend is een rond ‘eiland’ met daarop de gebouwen. We zien ook een brede waterloop op enige afstand ervan. Het is denkbaar dat er een brede rondlopende gracht aanwezig was of wellicht twee minder brede grachten. Let op: de kaart staat ‘op de kop’. Het noorden is aan de onderkant, waar de Aa stroomt. (fragment van BHIC 272-000627_04)
13
De eigenaren van Ten Hove Bij de uitvoering van het testament van ridder Willem van Den Bosch kreeg Geerling Cnode, bijgenaamd Goede Geerling, het goed Ten Hove toebedeeld. Dat moet gebeurd zijn na de dood van Willem van Den Bosch in 1344. Het goed Ten Goede Geerling, dit leest vreemd, is voor 1368 overleden en had uit zijn eerste huwelijk met Elisabeth een zoon Wellen Cnode, die priester werd. Uit zijn tweede huwelijk met Heilwich, dochter van Hendrik Berwout, had Geerling een aantal zonen, van wie Hendrik de oudste was.
Hij werd de volgende eigenaar van Ten Hove. Het is onduidelijk of er bij de verdeling van de erfenis onderdelen van Ten Hove aan broers van Hendrik zijn toegevallen, maar we vinden er geen sporen van in de archieven. Goede Geerling had meerdere eigendommen en die zullen onder de andere kinderen zijn verdeeld. Hendrik had naast Ten Hove in Erp ook goederen in Son en Zeelst. Wel heeft Hendrik in 1379 een erfpacht in Erp overgedragen aan zijn broer Goossen. 30 Misschien was dat een compensatie binnen de erfdeling. Broer Goossen Cnode was overigens via zijn schoonmoeder Aleid van Gemert eigenaar geworden van de grote hoeve Te Kieboom in Gemert. Hendrik Cnode had uit zijn huwelijk met Katherina twee wettige kinderen: zoon Geerling en dochter Aleid. Op 26-7-1387 werd een erfpacht van 24½ mud rogge gevestigd op het goed Ten Hove met toebehoren in Erp door Hendrik Cnode samen met zijn zoon Geerling. Dochter Aleid ontving deze erfpacht bij gelegenheid van haar huwelijk met Boudewijn van Tychelt als haar aandeel in de erfenis. Zoon Geerling krijgt in 1391 het vruchtgebruik van het goed Ten Hove. 31 (BP 1179 f96v dd 03-09-1391). Na de dood van vader Hendrik tussen 1401 en 1403 is Geerling de nieuwe eigenaar. Geerling zal in 1391, toen hij het vruchtgebruik kreeg, gehuwd zijn. Zijn vrouw was Margriet, dochter van Philips, heer van Geldrop.
Via haar was Geerling ook heer van Biecht. Hij overleed al voor 1410.
Naar de heren van Biecht en Sevenum Philips van Geldrop was heer van Geldrop in de periode 1395-1403. Hij was gehuwd met Jutta van Haren, de erfdochter van Rogier van Haren, heer van Biecht. Biecht kennen we nu als het Limburgse dorp Obbicht. Philips’ zoon Rogier erft Biecht, maar hij overlijdt al in 1405, waarna zijn zuster Margriet vrouwe van Biecht wordt. Margriet, de echtgenote van Geerling Cnode, hertrouwde na de
14
dood van Geerling Cnode met Walraven van der Delft en zij zijn tot 1429 heer en vrouwe van Biecht. In dat jaar draagt zij een deel van Biecht over aan haar broer Philips van Geldrop en een ander deel aan haar schoonzoon Jan van de Donk. Jan van de Donk was gehuwd met Henrica, een dochter van Geerling Cnode en Margriet.
Kasteel van Obbicht (Wikimedia)
In de Geschiedenis van de heerlijkheid Obbicht lezen we 32 : “… Johan van der Donck, in 1429, krachtens huwelijksvoorwaarden met Jungfrauen Heinrick Geirlicks Kuneiden tochter …”. Iets verderop wordt het leenverhef van Biecht voor de leenhof van Gelre aangehaald: “Henrica ten Have, huijsfrou Jans van der Donck, ontfing die Heerlickheijdt van Biecht anno 1431”. De schrijver weet niet goed raad met de twee verschillende namen. In Heinrick Geirlicks Kuneiden tochter herkennen we Henrica, de dochter van Geerling Cnode, de eigenaar van het goed Ten Hove in Erp. Jonkvrouw Henrica werd kennelijk destijds ook aangeduid met de naam Ten Have of Ten Hove. Ook vader Geerling zien we wel eens met die toenaam aangeduid. Het geeft aan dat Geerling niet alleen eigenaar was, maar ook ter plekke woonde. Zijn weduwe met haar tweede man woonde er nog in
Dat blijkt uit een Bossche schepenakte waarin Henrica en Jutta, de twee dochters van Geerling Cnode, de roerende goederen verkopen uit het huis van Walraven vander Delft genaamd “tHuys ten Hoeve” in Erp. 33 Gezien die verkoop lijkt het erop dat de erfgenamen van Geerling niet langer op Ten Hove woonden. Dochter Henrica huwde met Jan van de Donk, de zoon van Claas van de Donk, heer van Sevenum en eigenaar van het huis Ter Donk in die plaats. Jan van de Donk werd door dit huwelijk de nieuwe eigenaar van Ten Hove. Van hem is ook vermeld dat hij daarnaast een derde deel van de grove en smalle tiende en het patronaatsrecht van Erp in bezit had. Het echtpaar had drie kinderen. Zoon Geerling van de Donk werd domheer in Utrecht. Zoon Claas erft het goed Ten Hove. Dochter Mechteld van de Donk, ontvangt bij haar huwelijk met jonker Art van Ooij, heer van Ubbergen, het bezit in de tiende en het patronaatsrecht van Erp.
Links het wapen van de familie Van der Donck, “effen groen en in een zilveren schildhoofd 9 zwarte hermelijnstaartjes, 5-4 gerangschikt” (Rietstap, Armorial General). De familie bezat onder meer het kasteel De Donck of Gaesdonck in de buurtschap Swolgen ten noordwesten van Sevenum. Midden het huis De Donck in 1729. Bron: HASD, kaartcollectie nr. 328.
Hendrik van de Donk, zoon van Claas, is de volgende eigenaar van Ten Hove in Erp. Hij is ook heer van Obbicht en Sevenum. Na zijn dood gaat Obbicht naar dochter Anna, gehuwd met Willem van Vlodrop. Dochter Johanna erft met haar man Reinart van Vlatten de heerlijkheid Sevenum en het goed Ten Hove. Zoon Johan van Vlatten, ambtman van de Duitse stad Düren, is de persoon die het goed Ten Hove in Erp in 1594 belooft aan de Commanderij Gemert van de Duitse Orde.
De verwerving door de Kommanderij Gemert Godert van Aer, commandeur van Gemert van 1570 tot 1598, heeft het bezit van de Commanderij Gemert van de Duitse Orde uitgebreid door diverse aankopen. Eén van zijn acties betrof de verwerving van het goed Ten Hove in Erp in 1594. Het gaat daarbij om drie verschillende soorten transacties. De eerste betreft de eigenlijke verwerving van het goed, de tweede is de aankoop van percelen grond in de nabijheid van Ten Hove en de derde serie transacties bestond uit het afkopen van erfpachten, die als last aan de hoeve waren verbonden. Het goed Ten Hove in Erp werd door Godert van Aer geruild tegen de inkomsten uit de tiende van de Heitrak in Deurne. 34 De Commanderij had die tienden in bezit en met Johan van Vlatten, de eigenaar van Ten Hove, werd afgesproken om die goederen onderling te ruilen. Dat moet voor beide partijen aantrekkelijk geweest zijn. Johan van Vlatten was al eigenaar van de hoeve op de Heitrak en kreeg zo ook de bijbehorende tienden in bezit. Omdat het ging om goederen in het hertogdom Brabant (Deurne en Erp) vroeg Godert toestemming voor die ruil aan Philips II, koning van Spanje, in zijn hoedanigheid van hertog van Brabant. Op 14 april 1594 kwam die toestemming tot stand. Kennelijk was de afspraak dat Johan van Vlatten nog zolang hij zou leven eigenaar zou blijven, want pas 17 jaar later, na zijn dood, werd er daadwerkelijk geruild. Godert van Aer was inmiddels opgevolgd door commandeur Hendrik van Holtrop. Op 2 maart 1611 werd voor schepenen van Den Bosch een oorkonde opgemaakt over de ruil tussen Hendrik van Holtrop en “Joncker Johan van Nieuwekercken genaemt Nivenheim als wittich man ende momboir soo hij verclaerde, van joncfrouwe Heilwich van Vlatten sijne huijsfrouw dochtere wijlen Jonker Johans van Vlatten, erbschenck (als hij leefden) der furstendomps Gulick ende Amptman tot Dueren ende Norvenich, zon wijlen joncker Reijnalt van Vlatten ende jonckvrouwe Johanna van der Donck”. Jonker van Nieuwekercken trad hier op namens alle kinderen van Johan van Vlatten. De aangekochte hoeve wordt uitgebreid door de aankoop van twee aangrenzende percelen, die in bezit waren van andere particulieren. Het eerste is een beemd genoemd de Nieuwenbeemt in Erp
17
gelegen tussen de hoeve Ten Hove van jonker Henric van de Donk en de Erpse watermolen. Deze beemd werd aangekocht op 17-3-1595 van Eemke, de weduwe van Arnt Henrick van Zomeren. 35 Het tweede perceel betreft een vierkant of bijna rond stukje van de gemeynt van Erp, genaamd het Perdtskerkhof, gelegen bij de hoeve van de commandeur. 36 Het werd gekocht van de gezworenen van Erp, die daarvoor toestemming hadden van de schepenen, de belangrijkste notabelen, de Heilige Geest meesters en de kerkmeesters van Erp.
Het afkopen van de erfpachten Aan het goed Ten Hove waren een aantal lasten verbonden, die door de eigenaar van de hoeve jaarlijks betaald moesten worden. Een van de eigenaren, Hendrik Cnode (nr 3 in de lijst van eigenaars hierboven), had samen met zijn zoon een aantal erfpachten gevestigd. De erfpacht van 24½ mud rogge jaarlijks De eerste betreft een erfpacht van 24½ mud rogge die op 26-7-1387 als erfdeel wordt gegeven aan Aleid, dochter van Hendrik Cnode, bij haar huwelijk met Boudewijn van Tychelt. 37 Aleid erft dus niet een deel van de hoeve, maar aan haar en haar man wordt beloofd, dat ze jaarlijks 24½ mud rogge krijgen op het feest van Maria Lichtmis. Deze pacht is erfelijk en dat wil zeggen dat later hun erfgenamen recht hebben op die pacht. Bovendien wordt het beschouwd al een eigenstandig bezit, dat niet alleen erfelijk is, maar bovendien verkocht kan worden. Het echtpaar Boudewijn van Tychelt en Aleid Cnode krijgt twee kinderen, Gerard en Geerling, en dit tweetal verkoopt die erfpacht in 1422 aan Marie, de weduwe van Gijsbert van Doorn. 38 Na de dood van Marie wordt de erfpacht verdeeld onder haar drie dochters. Dochter Gijsberta van Doorn krijgt van de totale erfpacht ruim de helft: 12½ mud rogge. Dat deel komt terecht bij haar kleinkinderen Bartholomeus en Petra Spierinc, die dat bezit in 1477 verkopen aan het Geertrui klooster in Den Bosch. Judocus Coolen, de toenmalige rentmeester van de Commanderij Gemert, koopt op zijn beurt in 1594 die erfpacht van 12½ mud rogge van het Geertruiklooster. 39 Formeel zou de Commanderij Gemert de erfpacht voortaan aan zichzelf moeten betalen. In de praktijk betekent het dat de erfpacht komt te vervallen. In feite heeft de Commanderij de erfpacht afgekocht.
Locatie goed ten Hove waar nu de Hoekse Hoeve staat
18
Dat doet zij ook met een erfpacht van 4 mud rogge, die ook in het bezit was van het Geertruiklooster. Het klooster kocht die jaarlijkse 4 mud rogge in 1544 van Goyart, zoon van Roelof van Eyck, kasteelheer van Blaarthem en heer van Zeelst. Bij die transactie van 1544 wordt expliciet vermeld dat de erfpacht een deel was van de oorspronkelijke 24½ mud rogge die Henric Cnode gegeven had aan Boudewijn van Tychelt. 40 Deze 4 mud rogge moet dus een deel zijn van de resterende 12 mud rogge, die bij Luijtgard en Liesbeth, de andere twee dochters van Gijsbert van Doorn, terecht moeten zijn gekomen. Omdat beide vrouwen betovergrootmoeder zijn van Goyart van Eyck is niet te achterhalen hoe een en ander is verlopen. Bovendien zijn we nog altijd een erfpacht van 8 mud rogge ‘kwijt’.
Schema van de vererving van (een deel van) de erfpacht van 24½ mus rogge uit Ten Hove.
De overige erfpachten Hendrik Cnode verkocht samen met zijn zoon Geerling in 1391 twee erfpachten van 3 en van 4 mud rogge jaarlijks uit het goed Ten Hove in Erp aan Jan, respectievelijk Mechteld, beide kinderen van Gerard Berwout. 41 Een verkoop van een erfpacht destijds komt goed overeen met wat wij heden ten dage noemen het opnemen van een hypotheek. De verkoper van de erfpacht krijgt een bedrag geld ineens en daar staat tegenover dat hij in ruil daarvoor jaarlijks een vergoeding betaalt. De erfpachten van 3 en 4 mud rogge kunnen we dus beschouwen als de jaarlijkse rente voor een opgenomen hypotheek. De ‘hypotheek’ die in 1391 werd opgenomen heeft waarschijnlijk een relatie met de overdracht van het vruchtgebruik van de hoeve Ten Hove in hetzelfde jaar aan zoon Geerling Cnode. In 1422 verkoopt Jan Loonman, man van Mechteld Jan Berwout, de erfpacht van 3 mud aan Jan Coman en in 1429 verkoopt Rutger van Geldrop, man van Mechteld Gerard Berwout de erfpacht van 4 mud rogge aan Willem Borman. 42 We komen de twee erfpachten na 1429 niet meer tegen en dat zal betekenen dat ze mogelijk zijn afgekocht, oftewel dat de hypotheek is afgelost. Een volgende erfpacht, deze keer van drie mud rogge, uit het goed Ten Hove wordt verkocht door Geerling Cnode, zoon van Hendrik, in 1405 aan Peter Pels. Zijn kleindochter Heilwich, dochter van Aart Peter Pels, krijgt in 1450 de erfpacht van 3 mud rogge mee, als zij haar intrede doet in het Geertruiklooster van Den Bosch. Judocus Coolen koopt in opdracht van de Commanderij Gemert ook die erfpacht af in 1594. 43
19
Nog bestaande lasten Behalve het goed Ten Hove zelf en een tweetal aanpalende percelen heeft de Commanderij Gemert op deze manier een aantal jaarlijkse lasten die op het goed Ten Hove drukten, afgekocht. Maar dat lukte niet voor alle lasten. Natuurlijk moest de Duitse Orde net als andere grondeigenaren dorpslasten betalen in de vorm van verponding en de gewoonlijke gebuurcijns. Daarnaast was de Commanderij Gemert in de 18 de eeuw nog jaarlijks renten of cijnsen verschuldigd onder andere aan het Geefhuis in ’s-Hertogenbosch. Bovendien blijkt uit een 18 de -eeuws overzicht dat er ook nog roggelasten betaald moesten worden. Dat zijn oude lasten, die toen niet meer in natura werden geleverd. De lasten werden omgerekend in geldbedragen. Die oude lasten waren samen 76½ vat rogge jaarlijks en dat is omgerekend 4¾ mud rogge (1 mud is 16 vat). Of deze lasten deel uitmaakten van de hierboven genoemde erfpachten, die we ‘kwijt’ waren is vooralsnog onduidelijk. De oude lasten kunnen al eerder door anderen zijn afgekocht. Opvallend is de last van 2 vat rogge aan het armbestuur van Erp.
Jan Timmers, Gemert oktober 2021, bijgesteld januari 2023
1 H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. I De Meierij van ’s-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert), ’s-Gravenhage 1979. Oorkonde nummer 660.
3 Martin W.J. de Bruijn, Cnodingen en Dicbieringen, de bezitters van grote huizen in de stad ’s-Hertogenbosch en hun entourage. Deel I Het geslacht Van Den Bosch, (intern rapport 314). In deze publicatie zijn onder meer alle testamenten en codicillen van ridder Willem van Den Bosch opgenomen, ook in Nederlandse vertaling; Mechelien Spierings, Heer Willem van Den Bosch, ridder, De Kleine Meijerij, Jaargang 1977 (XXVIII) nr. 2, pp. 17-22.
14 De Bruijn, Cnodingen en Dicbieringen; voor de familierelaties is gebruik gemaakt van onderzoek naar de families Rover en Cnode door Hans Vogels. 15 Camps oorkondenboek nummer 660 16 Bossche Protocollen (BP) 1177 f 53, dd 17-06-1383. 17 Met dank aan Martien van Asseldonk, die deze gegevens aanleverde. 18 BP 1177 f 53 dd. 17-06-1383; 1177 f 230 dd.28-03-1386; 1177 f 229v dd. 21-03-1386; 1177 f 324v dd. 08-11- 1386; 1178 f 046v dd. 23-07-1388; 1181 p 517 dd. 10-10-1399; 1183 f329v en 330; 1190 f195v dd 16-6-1417; zie ook: Bossche Protocol, akten m.b.t. Erp, 1367-1400, transcripties van S. Ketelaars, verzameld door Johan van der Elsen, collectie heemkundekring Erthepe. 19 BP 1175 f243 dd 30-1-1371; 1180 f376; 1182 f30; 1183 f329v en 330 20 BP 1175 f 115v en f 116. 21 BP 1199 f85v 22 BHIC, toegang 2139, Stukken afkomstig van de pastoor van de Sint-Petruskerk in Vught, 1473-1784, inventarisnummer 8 23 Wim Cöb, Het patronaatsrecht en het pastoorsbeneficie van de parochiekerk Erp van de veertiende tot de zeventiende eeuw, Noordbrabants Historisch Jaarboek deel 36, 2019; Zie ook BP 1229 f152v, 1186 f188 dd 24- 6-1409 24 Cöb, patronaatsrecht. 25 Over de van de families Rover en Cnode publiceerde Hans Vogels diverse bijdragen 26 De Bruijn, Cnodingen en Dicbieringen. 27 Cornelissen, een kasteel; Origineel in BHIC, archief Dorpsbestuur Sint-Oedenrode, nr 114. 28 BHIC, toegang 270 Archief Kommanderij van de Duitse Orde te Gemert (AKDOG) inv. nr. 848 dd 2-3-1611. 29 AKDOG inv. nr. 627_04. 30 BP 1175 f 043v; 1178 f 194v; 1179 f96; 1182 f490 31 AKDOG 841 regest 80; BP 1179 f96v dd 03-09-1391. 32 De gegevens over de familie Van der Donck zijn voornamelijk ontleend aan J.L. Meuleners, Geschiedenis van de heerlijkheid en heeren van Obbicht en Papenhoven, voornamelijk van jonker Filips van Bentinck; een bijdrage tot de geschiedenis van het Overkwartier van Gelderland, Roermond 1883. 33 BP 1198 f289v dd mei 1428 34 AKDOG inv. nr. 848 bevat drie stukken over de verwerving van Ten Hove door de Duitse Orde. 35 AKDOG 2, los vel voorin dd. 17-3-1595, het is een afschrift van AKDOG 849. 36 AKDOG 847 dd 12-10-1595. 37 BP 1192 f547 dd 29-8-1422; 1193 f51 dd 17-2-1422 38 AKDOG 841 regest 198, dd 29-8-1422 39 AKDOG 2, f 2-2v, afschrift van AKDOG 841 regest 378 dd 11-10-1477 40 AKDOG 2, f 2v -3, dd. 7-7-1594 afschrift van AKDOG 842 41 BP 1178 f 194v dd 05-09-1391 (2 akten) 42 BP 1192 f74v dd 17-2-1422; BP 1199 f85v dd 28-7-1429 43 BP 1184 f190 dd 2-4-1405; AKDOG 845 dd 16-3-1594 44 BHIC, Archief Commissie van Breda inv. nr. 457.
WILLEM VAN DEN BOSCH “RIDDER STICHTER VAN HET RIJKE-CLAREN-KLOOSTER TE ‘S-HERTOGENBOSCH.
G.M. van der Velden, Feestbundel Gymnasium Bernrode 1886-1986
In zijn boek ‘De Bossche Optimaten’ begint G.C.M. van Dijck het eerste hoofdstuk met de opmerking: “Over de vroegste geschiedenis van ‘s-Hertogenbosch is nog maar weinig bekend”1. Er moeten inderdaad nog heel wat archiefstukken worden bestudeerd, om een helder beeld te krijgen van het wereldlijk en kerkelijk leven gedurende de eerste anderhalve eeuw van zijn bestaan. Testamenten van vooraanstaande personen, die veel hadden te schenken aan allerlei instellingen, kunnen hiertoe bijdragen. Een van die testamenten is dat van Wilhelmus de Busco of Willem van den Bosch, een van de rijkste inwoners van de hertogstad rond het jaar 1300.2. Alvorens in te gaan op deze testateur en zijn beschikkingen ten gunste van het te stichten Rijke-Claren-klooster, volgt hier eerst een overzicht van de testamenten en codicillen van deze erflater en van hun vindplaatsen: het testament van 16 februari 1332 archief Abdij van Berne de toelichting van 28 augustus 1335: archief der Rijke Clarissen de toelichting van 1 september 1335: idem 1-ste aanvulling van 13 september 1339 : idem 2-de aanvulling van 6 november 1341 : idem 3-de aanvulling van 21 september 134 : idem
Algemene informatie over de tijd waarin Willem van den Bosch leefde.
Kerkelijk gezien behoorde ‘s-Hertogenbosch tot het uitgestrekte bisdom Luik. Adolf II van der Marck was van 1313 tot 1344 de prins-bisschop. Dit diocees, waarvan het Oude Maasje een deel van de noordgrens vormde, bestond uit verscheidene aartsdiaconaten. De stad Den Bosch ressorteerde onder het aarts diaconaat Kempenland. Vanaf 1 september 1313 was de Italiaan, kardinaal Neapoloi de filiis Ursi, de aartsdiaken. Deze bezocht in 1318 tijdens een visita uereis de snel in betekenis toenemende stad ‘Den Bosch'3.
Kempenland was op zijn beurt weer opgedeeld in een aantal dekenaten. Den Bosch viel onder het dekenaat Cuijk. Uit de tweede aanvulling op het testament blijkt, dat de Bosschenaar Henricus Gerardi de Neynsel deken van Cuijk was. Binnen het dekenaat was ‘s-Hertogenbosch geen volkomen zelfstandige parochie. De kerk van Sint-Jan-Evangelist stond nog onder de verantwoordelijkheid van de pastoor van Orthen. Dit zou kerkrechtelijk tot 1413 voortduren 4. Toevallig heette de door van Orthen rond het jaar 1318 eveneens Wilhelmus de Busco5. Behalve de Sint-Jan waren er in Den Bosch nog een begijnhof met eigen kerk, een predikheren- en een minderbroeders kerk. Willem van den Bosch is getuige geweest van de bouw van een Mariakapel aan de Sint-Jan. In 1318 had daarna de
179
officiele oprichting en de kerkelijke goedkeuring plaats van de Broederschap van de Illustre-Lieve-Vrouw6.Burgerlijk gezien behoorde ‘s-Hertogenbosch tot het hertogdom Brabant. Jan III was van 1312 tot 1355 de hertog. Den Bosch was in zijn hertogdom de vierde stad na Leuven, Brussel en Antwerpen. De stad had rond de kern een vesting muur. Zij was de meest noordelijke vestingstad in het gebied, dat grensde aan Holland en Gelre, en kreeg daarom de bijzondere aandacht van de hertog De plaatselijke bestuurders, de laagschout en de schepenbank, worden in de testamentaire akten van Wilhelmus van den Bosch als zodanig nergens genoemd. In 1318 verleende hertog Jan III aan de stad verlof, om de ommuring uit te breiden7. Tien jaar later, in 1329, schijnt dezelfde hertog aan de Pensmarkt de lakenhal gesticht te hebben, die beter bekend staat onder de naam gewanthuys”8
Brabant maakte onder de hertogen Jan I, II, III een tijd door van consolidatie9. Als oriënteringspunten kunnen in deze ontwikkeling de volgende historische gebeurtenissen dienen: de slag bij Woeringen of Wörringen bij Keulen in 1288, de moord op Floris V op 27 juni 1296 en de uitvaardiging van het charter van Kortenberg in 1312. Wat het eerste punt aangaat het volgende: Walram. IV van Limburg liet bij zijn dood in 1280 slechts een dochter, Irmgard geheten, na, die getrouwd was met Reinoud I, graaf van Gelre. Irmgard stierf kinderloos, waardoor Limburg vacant werd. Volgens een beslissing van koning Rudolf zou Reinbout gedurende zijn leven het vruchtgebruik over de landen van Irmgard bezitten. Dit strookte niet met de politieke doelstelling van de Brabantse hertogen, die steeds ijverden voor de beheersing van de handelsweg tussen Brugge en Keulen. Vandaar dat Jan I van Brabant alles in het werk stelde, om Gelre opzij te dringen. Deze oorlog tussen Brabant en Gelre werd beslist door de slag bij Woeringen. Hertog Jan keerde hieruit als overwinnaar terug. De handelsroute was nu grotendeels onder zijn beheer. Betreffende het tweede punt: de hertogen wilden niet alleen de landweg van Brugge naar Keulen onder controle houden, maar ook de andere handelsweg, de Maas. Daaruit vloeide voort, dat zij voortdurend alles in het werk stelden, een greep te krijgen op stad en land van Heusden. Hierdoor raakte Jan II betrokken bij de samenzwering tegen en de moord op Floris V van Holland. Ook de stad Den Bosch moest dit ondervinden, omdat zij, naar men vaststelde, asiel verleend had aan de moordenaars van Floris10. Hertog Jan II van Brabant steunde ook Jan III van Heusden bij diens pogingen de leenband met Holland te verbreken. De familiebanden tussen de heren van Heusden en belangrijke Brabantse families, en de goede betrekkingen tussen hertog Jan II en de Abdij van Berne, brachten eveneens Heusden en Brabant dichter bij elkaar.
Dan is er nog het charter van Kortenberg. Dit belangrijke document laat iets zien van de ontwikkelingen, die zich binnen het hertogdom voltrokken. Toen Jan II zijn einde voelde naderen en moeilijkheden voorzag bij de opvolging van zijn nog minderjarige zoon, vaardigde hij dit staatsstuk uit, voorloper van de latere oorkonde, die de geschiedenis zou ingaan onder de naam Blijde Inkomsten7. Er kwam een College of Raad tot stand van veertien leden, vier van de adel en tien van de steden, die de opdracht kregen de voorrechten van het hertogdom te handhaven. Tenslotte nog een korte opmerking betreffende het geldwezen in die dagen. De
180
hertogen zaten nog al eens in financiële moeilijkheden. Ze moesten dan geld lenen. De geldschieters waren toen de zogenaamde lombarden11, maar de hertogen klopten ook graag aan bij hun rijke onderdanen, die uit Brabant geboortig waren. Tot deze gefortuneerde lieden behoorde zeer zeker Willem van den Bosch. Maar hij was niet de enige. Rond het jaar 1300 leefden in Den Bosch nog verscheidene andere zeer rijke personen, waarvan we de omvang van hun bezittingen uit hun testamenten kennen. Op 18 juli 1309 beschikte Wouter Nenne, poorter van Den Bosch, bij testament over zijn vele goederen ten gunste van voornamelijk geestelijke personen en instellingen12. In datzelfde jaar op 7 september maakte Mr Makarius van ‘s-Hertogenbosch, kanunnik van het kathedrale kapittel van Luik. zijn testament met aanvullingen op 10 en 23 september, waarin hij zijn bezittingen voor een deel aan vele geestelijke instellingen in zijn vaderstad toewees13. Een derde testament van dien aard werd eind 1981 in het archief van de Godshuizen in Den Bosch teruggevonden. Het is van kort voor 1300 De testatrice heet Beatrix. Uit een andere oorkonde, waarin de echtgenoot van Beatrix voorkomt, kan worden opgemaakt, dat hij voor 5 september 1292 is gestorven14. Er is reden bij deze echtgenoot even stil te staan, om een eventueel misverstand te voorkomen. Hij heet namelijk wel Gerlacus de Busco, maar mag niet verward worden. met Gerlacus, de vader van Willem van den Bosch. De eerstgenoemde Gerlacus was geen ridder en hij was gehuwd met Beatrix, terwijl de tweede wel ridder was. Hij was gehuwd met Aleid van Heusden en leefde bovendien nog in 131915.
Geerlinck van den Bosch ofwel Gerlacus de Busco.
De vader van Willem van den Bosch heette Geerlinck. Omtrent deze Geerlinck zijn in de oudere literatuur, waarin hij ter sprake komt, vele vergissingen geslopen. Deze onjuistheden gaan terug op de door C.R. Hermans gepubliceerde Bossche Kroniek van Albertus Cuperinus16. Hierin komt de volgende passage voor, die klakkeloos is overgenomen door Jacob van Oudenhoven17 en A.P.M. Meuwese18. “Dat clooster van Sinte Clara binnen der stat van Den Bosch is tevoren geweest een borchte ofte cen casteel, toebehoorende een rijcke en treffelick joncker, genamt joncker Geerlinck van den Bosch, wiens geboechnis noch onderhout die steenen brug, die over die Diese leet ende is geheiten die Geerlinxse brug; ende deze joncker is gestorven sonder wettige geboort after te laten, ende soo quam dat slot op sijnen brueder, joncker Jan van Hoorn19, die op die tijt woonde in die huysinge, daer nu die verwer woont, tegen de Schilder- spoorte over. Ende dese joncker Jan van Hoorn heeft van dat slot ende huysinge gemaect een jouffrauclooster van Clarissen, assigneerende groote renten ende gueden om dat clooster te onderhouden“.
Tegenover de beweringen in deze tekst kan met stelligheid worden gesteld: Geerlinck van den Bosch was ridder; hij is niet zonder wettig kind na te laten gestorven, hij had namelijk een zoon, Willem van den Bosch; Geerlinck heeft zijn huis en zijn vele bezittingen niet aan zijn broer, maar aan zijn zoon nagelaten; jonker Jan van Hoorn was niet de broer van Geerlinck; niet jonker Jan van Hoorn, maar Theodericus van Horne was aangewezen om voor de bouw van het klooster te zorgen; in de op deze zaak betrekking hebbende oorkonden wordt nergens gesproken van een kasteel, maar van een huis en erf. Verderop zal dit nader worden toegelicht.
Geerlinck den Bosch stond in goede betrekking met de hertog Brabant In de door Jan van Heelu in versmaat beschreven slag bij Woeringen in 1288. Gerlacus zou zich hier bijzonder hebben onderscheiden. Waarschijnlijk bij die gelegenheid, evenals Willem van Kuyc tot ridder geslagen20 Hij is door de hertog meermalen beloond voor bewezen diensten. Volgens de oorkonde 6 januari 130421heeft hertog Jan II aan de hoevenaars van de goederen, die Gerlacus over vijftien dorpen verspreid bezat, vrijdom van beden, heervaart andere diensten verleend, wegens de vele goede diensten aan hem voorgangers bewezen. Een andere blik van waardering bestond hier, dat hij tot seneschalk van Limburg werd benoemd22. The functie bekleedde hij nog 131923. Toen verklaarde Dirk IX, graaf van Kleef, ten behoeve van Jan III, sinds1312 hertog van Brabant, onder ede aan Gerlacus van den Bosch, dat heerlijkheid, stad en land van Heusden met uitzondering van het kasteel van oudsher van de graven van Kleef in leen werden gehouden, maar dat deze graven op beurt deze in leen hielden van de hertog van Brabant.
Geerlinck van den Bosch waarschijnlijk lid van de familie van Horne
Men heeft weleens gedacht, dat Geerlinck van den Bosch een Cnode was. Maar M.H.M. Spierings heeft reeds in 1977 de opmerking gemaakt: “Het is niet zo eenvoudig te achterhalen of de heer Geerling van den Bosch een Code was“24 Met de tot nu toe ter beschikking staande gegevens kan men niet verder komen dan tot deze conclusie: Geerlinck was op een of andere wijze verwant aan de Cnodingen. Dit blijkt heel duidelijk uit de volgende passage in de derde aanvulling op het testament van Willem van den Bosch: “Volo… quod in bonis meis…., que mihi et meis progenitoribus ex linea seu parentela mea, die Chodie gen nominata, advoluta sunt seu dirivata, Gheerlacus dictus Cnode… meus consanguineus, mihi in quarta parte corumdem tantum succedat tanquam meus heres…“, wat aldus in vertaling kan worden weergegeven: “Ik wil, dat Gherlacus Cnode, mijn bloedverwant, slechts voor een vierde deel als mijn erfgenaam mij opvolgt in het bezit van de goederen, die in het bezit van mij en van mijn voorouders van de kant van mijn familietak, de Cnodingen genaamd, zijn gekomen“. Als de oorspronkelijke familienaam van Geerlinck van den Bosch niet Cnode was, dan rijst de vraag: welke naam had hij dan aanvankelijk wel voordat hij zich naar de nieuwe stad de Busco of van den Bosch is gaan noemen? Er zijn goede redenen om aan te nemen, dat hij van huis uit Gerlacus van Horne heette. Dit veronderstelde Albertus Cuperinus ook, waar hij Jan van Horne de broer van Geerlinck van den Bosch noemt. We weten, dat Gerlacus met een van Heusden was getrouwd. Dit veronderstelt, zeker in die tijd, dat Gerlacus tot een familie behoorde van hetzelfde niveau. Zijn zoon Willem was getrouwd met een van Boxtel, evenzeer een hoog adellijke familie. Nu waren de Cnodingen ongetwijfeld zeer welgestelde burgers, maar geen partij voor dochters uit de families van Heusden en van Boxtel. De familie van Horne kwam daar wel voor in aanmerking. Sofia van Heusden, de zuster van Aleid, de vrouw van Gerlacus de Busco, was ook met een van Horne getrouwd. We weten, dat zowel Gerlacus als
182
Wilhelmus van den Bosch zegelden met het wapen van de familie van Horne25: drie posthoorns of misschien beter drie banhoorns, met boven in het schild een barensteel met drie hangers, wat er op wijst, dat de houders van het wapen niet tot de hoofdtak van de familie behoorden26. De voornaam Wilhelmus is in de familie van Horne al heel goed bekend” Maar ook de naam Gerlacus komt daar reeds geruime tijd voor 1300 voor, getuige de oorkonde van 28 augustus 129227, waarin sprake is van een jaargetijde van Gerlacus van Horne en van zijn echtgenote Gertrudis. In de oorkonde van 6 januari 1304 wordt, zoals hierboven reeds werd opgemerkt, Gerlacus van den Bosch uitdrukkelijk de neef (nepos) genoemd van Wilhelmus, heer van Horne en Altena.
Dat Gerlacus zich is gaan noemen naar de plaats waar hij woonde en vele bezittingen had, is een gewoon verschijnsel. In de familie van Heusden komen zonen voor, die zich van Heesbeen, van der Weiden, van Drongelen en van Elshout zijn gaan noemen28. De volgende gegevens bevestigen de stelling, dat Gerlacus de Busco een van Horne was. In de bul van paus Alexander VI betreffende het patronaatsrecht van de kerk van Erp uit het jaar 1495 wordt een Wilhelmus van Horne, alias van den Bossche ridder, genoemd29. En in een oorkonde van 20 april 134330, waarin Dirk, graaf van Kleef en zijn broer Jan van Kleef, deken van de dom van Keulen, getuigen, dat zij een erfdeling tot stand hebben gebracht tussen Dirk van Horne, heer van Cranenborch, en diens broers en zuster, staat ook Willem van den Bosch als getuige onder leden van de families van Kleef en van Horne.
Willem van den Bosch
Wilhelmus de Busco of Willem van den Bosch was de enige zoon en erfgenaam van Geerlinck van den Bosch en Aleid van Heusden. Hij was gehuwd met Elisabeth van Boxtel31. De broer van Elisabeth heette Henricus en wordt genoemd onder de getuigen van Willems eerste testament. Evenals zijn vader was Willem ridder. Het is niet bekend wanneer en bij welke gelegenheid hij ridder werd geslagen. In een oorkonde van 1323 wordt hij nog knape genoemd32. Als regel woonde Willem te ‘s-Hertogenbosch in zijn huis aan de Hinthamerstraat, In den Nootboom geheten33.
Het pand de Notenboom
Uit zijn testament en nadere toelichting valt op te maken, dat er heel wat grond bij lag en dat de Dieze er langs stroomde. Willem was niet de enige, die bij de Geerlingsebrug woonde. Ook de andere kant van de Hinthamerstraat was reeds geruime tijd bewoond34. Willem en Elisabeth hadden dus overburen.
Ter ontspanning deed Willem, zoals gebruikelijk bij ridders, aan valkenjacht. Dat mogen we afleiden uit het feit, dat hij in zijn testament zijn paard en sperwer vermaakte aan Johannes de Waderen, die onder de leden van zijn huispersoneel wordt genoemd.
Hij had heel wat meiden en knechten in dienst van hem zelf en van zijn echtgenote. Behalve de reeds genoemde Johannes staan in zijn testament de volgende namen vermeld: Goeskinus genaamd kort Goeskin, Henricus Pric. Gerardus Mostard, Johannes de Berlechem, Lisen Cromfort. In de aanvullingen op zijn testament worden nog genoemd: Philippus, Laurentius, Egidius van
183
Overen A. Jacobus zijn kok, Egidius zijn timmerman, Antonoy zijn dwerg, en Lexus, die voor hem een paard uit Rusland is gaan halen. Vervolgens had hij een kapelaan, Engbertus van Oesterwijck, wat doet vermoeden, dat hij een privékapel had. Zijn vaste biechtvader was Johannes Moytken, gardiaan van de minderbroeders in Den Bosch. Bij de uitvoering van Willems testament moest zijn raad worden ingewonnen. Hij behoorde ook tot de zegelaars van het eerste testament. Zij naam ontbreekt in de lijst van de gardianen, die Schutjes geeft35. In de tweede aanvulling op zijn testament wordt Arnoldus van Waelwijck van de orde der predikheren als zijn biechtvader genoemd. Ook deze naam ontbreekt bij Schutjes.
Onder zijn dienaren noemt Willem ook Jacobus Coptijt36. Deze mag evenwel niet tot het gewone dienstpersoneel worden gerekend. Hij was een vertrouwensman in zijn vele materiele zorgen. Hij is dan ook door hem tot een van de executeurs-testamentair aangewezen. Als voorbeelden van door Jacobus verrichtte diensten komen de volgende oorkonden in aanmerking. Vooreerst een charter van Best en Oirschot gedateerd op 10 mei 1331, waarvan het regest luidt: “Jacobus Coptijt, knecht van de heer Wilhelmus de Buscho, heeft namens zijn heer diens goederen, genaamd de goederen van Cruninghen, gelegen in de parochie van Oerschot, die heer Godefridus van Audenhoven van heer Wilhel mus in erfpacht had voor 42 schepel rogge en vier schepel gerst per jaar, in erfpacht overgedragen aan Henricus, zoon van Godefridus37. Vervolgens een akte uit het archief van het klooster der Rijke-Claren te ‘s-Hertogenbosch, waarvan mr. J.A.M. Hoekx het volgende regest maakte: “Schepenen in Buscoducis Engbertus Lueding de Aggere en Johannes Elysae oorkonden, dat Jacobus Coptijt, hiertoe de volledige macht hebbende, de goederen van heer Willelmus de Busco ridder, geheten die Boyst, gelegen in de parochie van Berlichem tussen 2 slagbomen, genoemd veken, daar hangende, met al hun toebehoren; en de hofstad van wijlen Gerardus Monachus, gelegen naast de goederen de Overbeke, heeft gegeven aan Rudolphus Coster de Berlichem tegen een erfpacht van 5 1/2 mud rogge, te betalen aan heer Willemus, en dat Rudolphus tot meerdere zekerheid zijn weide die Aabeemt, waaromheen de Aa stroomt, en waarop reeds een erfcijns aan heer Ludovicus de Berlair ridder rust, aan Jacobus t.b.v. heer Willemus als onderpand heeft verplicht38.
Evenals zijn vader behoorde Wilhelmus de Busco tot de vertrouwelingen van de hertog van Brabant. Dit blijkt uit de volgende charters. Vooreerst een oorkonde, afkomstig uit het archief van Stapelen te Boxtel 39. Het regest luidt: “25 januari 1334, Assche, in Sinte Pouwelsdaghe, 1333. Jhan, hertog van Lotrike, Brabant en Lymbourgh, belooft Willemen, heer van Boecstele, Willemen van den Bos- sche en Otten van Heukeleem ridders, schadeloos te zullen houden van alles wat zij voor hem in de oorlog hebben betaald en nog zullen betalen”. Ook het gemeentearchief van Schijndel40 bevat een afschrift van een verloren origineel, waarvan het regest in deze bewoordingen is gesteld: “23 november 1334, in die beati Clementis pape et martiris, 1334. Jan, hertog (van Brabant etc.), verklaart, dat het servitium sive subsidium (hulpverlening) geheel onverplicht en een bijzondere gunst was, hem hertog bewezen door Wilhelmus van Busco ridder, door mannen en huislieden ter beschikking te stellen en door geld te geven voor de schatting door hem, krachtens de uitspraak door de koning van Frankrijk tussen hem en zijn verbonden tegenstanders, te betalen”.
184
Wilhelmas de Busco wordt vaak heer van Erp genoemd. In werkelijkheid was hij slechts pandheer van Erp. d.w.z. dat hij de heerlikheid Erp in pand had gekregen van de hertog van Brabant. A.P.M.Meuwese schrift hierover: “In augustus 1334 had de koning van Frankrijk bemiddeld tussen de hertog en de graaf van Gelre. De stad Den Bosch moest van de schatting, aan de hertog opgelegd, 31 pond betalen. Willem van den Bossche heeft toen van zijn goederen 45 pond bijgedragen. Daarom gaf de hertog in het begin van het volgend jaar, 4 februari 1335, aan Willem van den Bossche zijn dorp Erp (suam villam Erpe) in pand: de hertog zou altijd het recht hebben om het dorp Erp terug te nemen tegen betaling van 48 pond oude groten. Hierbij moet evenwel worden aange tekend, dat de datum 4 februari 1335 niet zozeer verbonden is met her in pand geven van het dorp Erp door de hertog, als wel met een dubbele beslissing van de kant van Wilhelmus de Busco. Deze scheldt aan de hertog alle schuld kwijt en kent hem het recht toe, het dorp Erp, dat hij in pand had gekregen van de hertog, tegen betaling van 48 pond oude groten te lossen. Het citaat uit het boek van A. Meuwese gaat aldus verder: “In het jaar 1355 heeft het pandheerschap van de familie van den Bossche een eind genomen, toen Isabella, genaamd Ermengard van den Venne, die van Jan III een natuurlijke dochter had, de pandsom terugbetaalde aan de erfgenamen van Willem van den Bossche. Jan III verklaarde toen, dat Isabella en haar erfgenamen Erp konden behouden, tot hijzelf de pandsom zou lossen41
Over deelname van Wilhelmus van den Bosch aan het verenigingsleven in Den Bosch is weinig bekend. Pas aan het eind van zijn leven, na 1339, werd hij lid van de Illustere-Lieve-Vrouwe-Broederschap42.
Een duidelijke getuigenis omtrent het jaar van de dood van Willem van den Bosch ontbreekt. In het obituarium van de Sint-Jan van Den Bosch43 staat hij vermeld bij 25 september, maar zonder toevoeging van het jaartal. Alles wijst er evenwel op, dat hij in 1344, kort na de derde aanvulling op het tweede testament. is gestorven. Bij die laatste wijziging in het testament was hij nog wel helder van geest, maar lichamelijk zwak en ziek. Zijn dood was ongetwijfeld de reden, waarom op 29 september 1344, op verzoek van Theodoricus(Dirk) van Horne(-Perwijs), een kopie van de originele stukken werd gemaakt.
Het testament van Willem van den Bosch
Willem van den Bosch heeft twaalf jaar voor zijn dood zijn eerste testament gemaakt. Het maken van een testament had toen iets van een religieuze handeling44. Vooral de aanhef van zijn tweede testament maakt dit duidelijk. De nagenoeg letterlijke vertaling van deze aanhef laat dit heel goed uitkomen. “Omdat de eniggeboren Zoon van God toen hij de overwinning op de duivel behaalde, als een voorbeeld voor alle christenen Zijn testament maakte door de geest aan God de Vader te geven, Zijn moeder aan de leerling, het paradijs aan de moordenaar, Zijn lichaam aan hen die hem kruisigden, heeft onze Moeder de H. Kerk bepaald, dat elke christen zijn testament behoort te maken, opdat hij aldus met Christus wordt verbonden als lidmaat met het hoofd“. Het eerste testament van Willem van den Bosch45 werd gemaakt in een kamer van het oude hof van het bisdom Luik, aan het voeteind van het rustbed van de
185
testateur en zijn vrouw, voor het kamervenster46. Daarbij waren aanwezig, de abt van de Abdij van Berne Johannes Pape47, Elisabeth van Boxtel, echtgenote van de erflater; haar broer Henricus van Boxtel, kanunnik van de kerk van de H. Gereon in Keulen en van de Sint-Servatiuskerk in Maastricht; Theodoricus Splittaf, provisor van de Abdij van Berne; Brustenus, pastoor van Heusden48. Enghelbertus, kapelaan van de erflater; en twee schepenen van Heusden, Nicolaus Thome en Robertus Philippi. Als notaris trad op Robertus de Dordraco, priester van de Abdij van Berne.
De in de tekst aangekondigde zegels waren zeven in getal: de zegels van Willem van den Bosch en Elisabeth van Boxtel, die van de drie executeurs-testamentair dat van Johannes Moytken als raadgever; en ten slotte het zegel van de zetel van het prinsbisdom Luik. De gaatjes voor de koordjes waaraan de zegels hingen zijn wel in de dubbelgevouwen onderrand aanwezig, maar de zegels zelf ontbreken. De notaris heeft het openbaar instrument met eigen hand ondertekend en van zijn gebruikelijk notaristeken voorzien.
Drie jaar later liet Willem van den Bosch zijn testament herschrijven en daarin de nodige wijzigingen aanbrengen. Dat geschiedde toen in Erp op 28 augustus 1335 in een kamer op de bovenverdieping van zijn bij de rivier de Aa gelegen huis49. Daarbij waren aanwezig de reeds genoemden Engbertus van Oesterwijck en Jacopus Coptijt. Notaris was nu Henricus Gerardi de Neynsel50. Het schrijfwerk geschiedde door Lambertus Faber. Deze notaris was op 10 januari 1334 door de officiaal van het bisdom Luik gemachtigd, om als zijn commissaris alle notariële handelingen te verrichten waarom Willem van den Bosch zou kunnen vragen51.
Reeds enige dagen later liet de testateur door dezelfde notaris een toelichting bij enige punten van het testament schriftelijk vastleggen. Dit geschiedde in tegenwoordigheid van Engbertus van Oesterwijck priester, van Jacobus Coptijt en van frater Johannes Moytken minderbroeder52. Hierbij moet worden aangetekend, dat het eerste testament door dit tweede niet nietig werd verklaard. Integendeel. In het tweede wordt uitdrukkelijk verzekerd, dat het eerste volledig van kracht blijft met uitzondering van wat in het nieuwe wordt toegevoegd. veranderd of nader toegelicht. Men kan het tweede testament niet bestuderen zonder het eerste daarbij te betrekken.
Jaren later volgden drie aanvullingen op het testament. De eerste aanvulling geschiedde te ‘s-Hertogenbosch in het huis van de erflater. Henricus Gerardi de Neynsel was hierbij wederom notaris. Als getuigen traden de twee hiervoor genoemden Engbertus en Jacobus op. De tweede aanvulling geschiedde in het kasteel Oud-Herlaar, waar Ermgard van Kleef woonde53. Deze Ermgard was de tweede echtgenote van Gerardus van Horne, heer van Altena, Perweyes en Herlaer. Er kwam geen notaris aan te pas. De akte is wel gezegeld. Naast Willem van den Bosch hebben op zijn verzoek zowel Ermgard van Kleef als zijn echtgenote Elisabeth het document bevestigd. Ermgard gebruikte het zegel van haar zoon Theodoricus (Dirk) van Horne (Perwijs), dat zij tijdens diens buitenlands verblijf54 in bewaring had. De derde aanvulling geschiedde wederom in Den Bosch door Willem van den Bosch en zijn echtgenote, die beiden hun zegels aan deze uitvoerige aanvulling en wijziging van de voorafgaande charters hebben gehecht. Het eerste testament is in origineel bewaard gebleven55. Van het tweede en van de drie aanvullingen bestaan alleen authentieke kopieën van 29 september 1344.
187
Deze kopieën zijn gemaakt door notaris Marcilius Henrici Marcilii van ‘s- Hertogenbosch op verzoek van Theodericus de Horne, heer van Kranenburg. Merkwaardigerwijs is in deze serie kopieën de toelichting van 1 september 1335 niet opgenomen, ofschoon in de derde aanvulling uitdrukkelijk sprake is van vier akten, waardoor deze derde aanvulling als vijfde en laatste document is gestoken. Van de toelichting van 1 september 1335 is een door notaris Theodorus Bernardi de Kessel gemaakte kopie in het archief van het Clarissenklooster aanwezig. Deze kopie is niet gedateerd, maar we weten, dat deze notaris allerlei afschriften heeft gemaakt in 1588. Hij heet dan Dierick Bernaertszoon van Kessel, notaris56. Wat de executeurs-testamentair aangaat dient nog te worden opgemerkt, dat in de tweede aanvulling het executeurschap van Wilhelmus de Horne en Altena wordt herroepen voor het geval, dat Theodericus de Horne, zijn broer, behouden uit Pruisen terugkeert. In dit geval zal deze Theodericus als executeur-testamentair optreden. Wilhelmus en Theodericus waren half- broers57.
Het is niet onwaarschijnlijk dat hij een onderdeel vormde van de “Lijflandse” kruistochten (1283–1410) om deelt te nemen aan acties. In Bad Wilsnack (Brandenburg) is nog een glas-in-lood venster te bewonderen met het wapen van Horne-Altena dat een eeuw later is gemaakt in opdracht van Frank van Borsele wier grootmoeder Oda van Horne was.
P. van de Ven
Glasraam in de Wunderblut Kirche te Bad Wilsnack
De eerste was geboren uit het eerste huwelijk van Gerardus van Horne met Johanna van Leuven-Gaesbeke, de tweede uit het huwelijk met de eerder genoemde Ermgard van Kleef. Mocht Theodericus sterven voor de erflater, dan moest Wilhelmus gehandhaafd blijven. Er werden in de tweede aanvulling nog enige executeurs-testamentair aan de reeds genoemde toegevoegd, namelijk Ludovicus, heer van Dypenbeke ridder58; Johannes de Rover en Henricus Gerardi de Neynsel, deken van Cuijk.
Regelingen omtrent de begrafenis van Willem van den Bosch
Alvorens in te gaan op de verdeling van de goederen, waarover het in een testament toch vooral gaat, moet er eerst iets gezegd worden over de uiterste wil van de testateur met betrekking tot zijn begrafenis. In het eerste testament is over de plaats en de wijze van begrafenis niets geregeld. In het tweede testament daarentegen staat vooreerst de bepaling, dat de uitvaart moet worden betaald uit zijn goederen, die gereed geld opleveren, met uitzondering van die, welke hij aan zijn vrouw heeft geschonken. Vervolgens geeft hij als zijn wil te kennen, dat bepaalde door hem gelegateerde priesters en religieuzen iedere maandag met de wijwaterkwast zijn graf, dat van zijn ouders en dat van zijn echtgenote in hun kerken zullen bezoeken en ze daar onder gebed besprenkelen. Ten slotte ver- langt hij, dat uit de vaste rente van honderd pond uit Hyer en Ynen59 honderd- vijftig pond wordt genomen, om een stenen grafmonument in de vorm van een sarcofaag te laten maken en deze te plaatsen boven het graf van hemzelf en van zijn ouders in de Sint-Jan te ‘s-Hertogenbosch. Maar met het vorderen van de jaren en toen de gedachte aan de naderende dood levendiger werden, namen zijn bepalingen omtrent alles, wat na zijn dood met zijn gestorven lichaam moest gebeuren, duidelijker omschreven en zelfs bizarre vormen aan. In de derde aanvulling, dus kort voor zijn dood, gaf hij als zijn wil te kennen, voor het hoofdaltaar in de kerk van het clarissenklooster te worden begraven, als tenminste bij zijn overlijden dit klooster en deze kerk reeds zijn ingewijd. Zo
187
niet, dan moest zijn lichaam worden bijgezet in het graf van zijn vader bij de Sint-Janskerk. Zijn hart moest afzonderlijk worden bewaard, om na de inwijding van de kloosterkerk, zo mogelijk tezamen met zijn lichaam, voor het hoofdaltaar een laatste rustplaats ts krijgen. Het is moeilijk te achterhalen, of er ook maar iets van deze punten is uitgevoerd. Van een grafmonument bij of in de Sint-Jan uit die vroege tijd is niets bekend, en een beschrijving van het klooster van de rijke-claren bestaat er niet. Van twee vermaarde personen, Peregrinus Pullen en Joannes van Gorcum weten we, dat zij in de kerk van de H. Clara zijn begraven. Maar een Wilhelmus de Busco wordt niet genoemd60
De verdeling van de goederen van Willem van den Bosch
Een eerste voorstelling van de rijkdom van Willem van den Bosch krijgt men, als men de globale opsomming leest van de bezittingen van zijn vader, van wie bi als enigst kind alles heeft geerfd. Deze lijst staat in het charter van 6 januari 1304 waarin Jan 11, hertog van Brabant, oorkondt, dat hij aan Gerlacus de Busco ten gunste van de hoevenaars op diens goederen vrijdom verleent van beden, heer vaart en andere diensten. Die goederen worden aldus nader gespecificeerd zes hoeven in Erp: goederen in Veghel ten Boemgarde geheten: goederen in Hetsro- de (dat in de parochie van Oirschot moet worden gezocht); vijf hoeven in de parochie van Oirschot; goederen in Hilvarenbeek en in Gestel (dit zal Moerge stel zijn); drie hoeven in de parochie van Oistilborch (het westelijk deel van Oisterwijk), waarvan een in ten Bygaerde en twee te Karlichoven; twee hoeven in de parochie van Haaren bij Oisterwijk, de een Eyndhoven en de ander Amelaer geheten: goederen bij Berkel; goederen in Udenhout; goederen in Hynen (Heinis onder Rosmalen); goederen in Brugge in de parochie van Rosma- len; twee hoeven in de parochie van Oss; hoeven en goederen Engelant en goederen ten Donck genaamd; drie hoeven in de parochie van Berlicum; en nog twee hoeven en goederen die Hautart, gelegen in Schijndel bij Middelrode. Alles bijeen dus minstens 25 hoeven en verder vele landerijen. In de hertogelijke oorkonde zijn alleen die bezittingen van Gerlacus de Busco opgesomd, waarmee de hoevenaars te maken hadden. Wegens de enorme omvang van de goederen en de veelheid van personen en instellingen aan wie Willem van den Bosch zijn bezittingen heeft toebedeeld volgt hier een kort overzicht:
fondsen waarmee de crediteurs moeten worden voldaan 2. giften aan zijn echtgenote Elisabeth van Boxtel
zijn huis en erf en de bronnen van inkomsten voor het te stichten claris- senklooster
legaten aan geestelijken en geestelijke instellingen in de stad ‘s-Hertogen- bosch
legaten aan geestelijken en geestelijke instellingen buiten de stad’s-Hertogenbosch
legaten aan bloed- en aanverwanten
giften aan het dienstpersoneel
In verband met het onderwerp volgt hieronder alleen een gedetailleerde opsomming van alle fondsen voor het te stichten clarissenklooster61.
188
Voor de stichting van een clarissenkloosterin ‘s – Hertogenbosch bestemde Willem van den Bosch vooreerst zijn stenen huis bij de Geerlingsebrug met alles wat erbij hoorde : bossages, tuinen, boomgaarden en bijgebouwen. ook het visrecht in de aangrenzende Dieze behoorde tot de schenking.
Om van dit huis een klooster te maken zou er nog heel wat moeten gebeuren. Zo zou er, zoals reeds bleek, een kerk moeten worden gebouwd, wat ook is geschied. Volgens de oudste plattegronden van Den Bosch62 werd deze kloosterkerk dicht achter het woonhuis van Willem van den Bosch opgetrokken.
Willem wilde dat het een klooster zou worden van de zogenaamde rijke claren, ook wel urbanisten genaamd, omdat ze de mildere levensregel van paus Urbanus IV onderhielden63 en daardoor verschilden van de arme clarissen. Al geschiedde deze schenking louter als aalmoes, toch kon de erflater niet nalaten een tegen- prestatie te vragen. Er zouden in de te bouwen kerk dagelijks ten eeuwigen dage minstens drie H. Missen moeten worden gelezen door drie geschikte priesters: een mis volgens de liturgie van de dag, een mis ter ere van Maria, en een voor de overledenen, speciaal voor de testateur, zijn ouders en zijn vrouw Elisabeth. In de derde aanvulling op het tweede testament is nader geregeld, dat Willem en zijn echtgenote of de langstlevende van hen de eerste keer zelf de drie priesters zouden kiezen. Mochten zij dit nalaten, dan zou dit recht van voordracht de eerste keer toekomen aan Theodericus de Horne en daarna aan het klooster.
Verder schonk hij voor het levensonderhoud van de zusters en voor andere noodzakelijke uitgaven:
zijn molen, gelegen in Den Bosch op het Hinthamereinde, met de daaraan verbonden inkomsten;
een jaarlijks bedrag van 9 pond uit zijn goed “Op-die-langhe-donck“, gelegen in de vrijdom van de stad Den Bosch;
al zijn goederen en tienden in Hynen64, gelegen in de richting van Orthen;
een stuk land, geheten “Die Zevenvirendeel”66, ongeveer 24 moregen groot,gelegen in de parochie van Nuland;
al zijn goederen in Schijndel, namelijk twee stukken land in “Die Hautert” en een kamp van 80 bunder;
tevens al het houtgewas (elswas) onder Schijndel in de buurtschap Yerde;
zijn landgoed, “Te water” geheten, in de parochie van Berlicum;
bovendien in Berlicum het landgoed in “Overbeke”, met uitzondering van de tienden, en volgens het tweede testament kwam daar nog deze beperking bij, dat Johannes De Belie en Margrita zijn vrouw en de langstlevende van hen het vruchtgebruik zouden krijgen;
ook zijn landerijen in Belveren;
bovendien in Berlicum zijn jaarlijkse rente en alle cijnzen, waarop hij daar recht had;
en ten slotte zijn goed “Engheland”, eveneens in Berlicum, met uitzondering van de jaarlijkse cijns uit zijn daar staande molen.
In de toelichting bij het tweede testament wordt de schenking van het huis met
189
alles wat erbij hoort opnieuw vastgelegd. Nu staat er bij vermeld, dat het huis met erf dicht naast de “Her Gheerleecs brugghe” ligt, en dat er ook nog een tuin over het water in de richting van de “Wymolenberch” toebehoort. Ook wordt hierin als nieuwe gift gesproken over een erfpacht van 5 1/2 mud rogge, clarissen zullen ontvangen van Rodolphus de Coster in Berlicum uit zijn goede- ren, “die Boest” geheten.
zicht op het Geerlingsbruggetje vanuit de erker overhangend op Binnendieze
Aan het slot staat deze opmerking, dat de testateur dit alles van nu af onherroepelijk heeft geschonken en overgedragen aan Wilhelmus, heer van Horne en Altena, aan de abt van Berne en aan Jacobus Coptijt ten behoeve van het met Gods hulp te bouwen clarissenklooster. Zij zullen de goederen moeten beheren tot met het stichten van het klooster wordt begonnen. Het vruchtgebruik blijft intussen aan de erflater. Mocht de stichting geen doorgang vinden, dan komen de goederen terug bij de drie genoemde personen. En als na vier jaar nog steeds geen begin gemaakt is met de stichting, dan moeten zij de goederen op een andere wijze aanwenden, die naar hun mening voor het zielenheil van Willem, zijn ouders en zijn echtgenote Elisabeth de beste en zekerste zal zijn.
In de derde aanvulling op zijn tweede testament kwam Willem van den Bosch nog eens terug op de drie missen, die dagelijks zouden moeten worden gelezen. Hier blijkt, dat het om drie beneficies, aan drie verschillende altaren verbonden. gaat. Elk van de drie altaren zal door de zusters uit de haar toegewezen legaten met 16 pond worden begiftigd. In verband hiermee worden hier de reeds toegewezen giften aan het klooster vermeerderd met een nog onontgonnen veld van 9 morgen, gelegen op “die Slaghen” bij Hynen, waarin Arnoldus Tylkini67 en Petrus Cortalaert van den Bosch een gedeelte hadden moeten ontvangen, en verder met een ander onontgonnen veld van 10 à 11 morgen, gelegen naast zijn hoeve tot “Englant”. Deze twee onontgonnen stukken land waren indertijd aan Willem van den Bosch samen met nog vier andere velden rechtens toegewezen door de hertog van Brabant in een geschil tussen hem en de stad Den Bosch over de gemene gronden van deze stad68.
Enige slotbepalingen van het testament
Naast de gebruikelijke bepaling, dat de erflater zich het recht voorbehoudt, wijzigingen en aanvullingen in het testament aan te brengen, en de beslissing, dat degenen, die tegen het testament in verzet komen, daardoor alle recht op een uitkering verliezen, vraagt één regeling de bijzondere aandacht, omdat zij het te stichten klooster van de H. Clara aangaat. De erflater geeft hierin als zijn uitdrukkelijke wil te kennen, dat als iemand tot dit klooster zal worden toegelaten, iemand van zijn familie, ceteris paribus, de voorkeur moet hebben. Ten slotte nog deze verordening, dat Theodericus de Horne als voornaamste executeur-testamentair met advies van de anderen alle inkomsten uit de aan het clarissenklooster gelegateerde goederen moet verzamelen voor de bouw van het klooster. Ook moet hij, in overleg met de hogere oversten van de orde van de H. Clara, voor het beginnen van het conventuele leven een redelijk en voor het goed functioneren vereist aantal monialen aannemen.
190
De uitvoering van het testament
Zoals in de meeste gevallen als het gaat over de uitvoering van een testament, zijn de gegevens hierover ook in dit geval uiterst spaarzaam. De executeurs-testamentair zijn onmiddellijk aan het werk gegaan. Er werd een begin gemaakt met de bouw van kerk en klooster voor de clarissen. Tevens werkten ze ijverig aan het opmaken van een inventaris van alle goederen en bronnen van inkomsten, waarover ze in feite bij de uitvoering van het testament zouden kunnen beschikken. Ze wilden zich veilig stellen voor het geval dat het bedrag niet toereikend zou blijken te zijn, om aan alle legatarissen te voldoen. Ze namen een gemeen- schappelijk standpunt in tegenover eventuele wereldlijke heren, die met geweld bepaalde goederen aan de ten uitvoerlegging van het testament zouden onttrekken. Op 17 oktober 134469 lieten zij voor alle zekerheid door notaris Theodericus Mathei Gheghel70 te ‘s-Hertogenbosch op de markt nabij de woning van Wynricus de Oyen een akte opmaken, waarbij Johannes, de abt van de Abdij van Berne, Henricus, de deken van Cuijk, Henricus de Wijlre namens Theodericus de Horne, heer van Kranenburg, en Jacobus Coptijt aanwezig waren. Daarin werd duidelijk vastgelegd, dat zij onder geen beding zelf in moeilijkheden wilden geraken, of tot meer uitkeringen zouden worden verplicht dan de inventaris van de bezittingen en inkomsten van wijlen Willem van den Bosch zou toelaten.
Alles schijnt naar ieders voldoening te zijn uitgevoerd. In het oud-archief van het Groot Ziekengasthuis te ‘s-Hertogenbosch is een schepenbrief bewaard gebleven van 17 maart 134771, waarin Henricus en Johannes van Watermale en hun zusters erkennen voldaan te zijn over de wijze waarop de executeurs van het testament van Wilhelmus de Busco zich van hun taak hebben gekweten. Eveneens op 17 maart 1347 heeft Theodericus de Horne de andere executeurs-testamentair ontslagen verklaard van hun opdracht en hen gewaarborgd tegen alle hinder en nadeel naar aanleiding van de uitvoering van hun taak72.
Om de stichting van het clarissenklooster zo spoedig mogelijk doorgang te doen vinden, werd bij de toenmalige paus het verzoek daartoe ingediend. In 1348 kreeg Theodericus de Horne, heer van Kranenburg, van paus Clemens VI de machtiging om binnen de vrijdom van ‘s-Hertogenbosch een clarissenklooster te stichten, waarvoor Wilhelmus de Busco, heer van Erpe, een jaarlijkse rente van 350 goudgulden had vermaakt73
Uit deze laatste toevoeging kan worden opgemaakt, dat de executeurs-testamentair een berekening hadden gemaakt van de jaarlijkse opbrengsten uit de bezittingen, die in het testament voor het klooster waren bestemd. Het jaar daarop kwamen de eerste clarissen uit Keulen naar haar nieuwe klooster in ‘s-Hertogenbosch”
Willem van den Bosch en zijn testament behoren tot een ver verleden. Zijn vader Geerlinck van den Bosch blijft in de herinnering van de Bosschenaren bewaard door de Geerlingsebrug. Aan Willem van den Bosch wordt men alleen herinnerd door de Clarastraat, door de restanten van het door hem gestichte klooster, die nog voorwerp zijn van nader archeologisch onderzoek, en door de vele archief- stukken waarin zijn naam vermeld staat.
191
Noten
193
G.M. van der Velden, Feestbundel Gymnasium Bernrode 1886-1986
G.C.M. van Dijck, De Bossche Optimaten, Tilburg 1973, blz.9. Th. Goossens, Uit de oude kerkgeschiedenis van Den Bosch in Boscche Bijdragen, dl. 17 (1940-41), blz. 258.[↩]
2. Volgens L.H. Chr. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom ‘s-Hertogenbosch, dl.3, St. Michielsgestel 1872, blz.600 is de familie Van den Bosch uit Erp afkomstig en leefde zij daar in de 12e eeuw ongetwijfeld onder een andere naam[↩]
J. Mosmans, De Sint janskerk te “‘s-Hertogenbosch, ‘s-Hertogenbosch 1931, blz.14.[↩]
LH Gr. Schutjes, a w. dl.5, St. Michielsgestel.[↩]
P. Cao de lombard van Jan J. hertog van Brabant, heette Wilhelmus de Busco, cfr., PH. Camps, Oorkondeboek van Noord Brabant tot 1312, dl.1., ‘s-Gravenhage 1979, blz. 508. 6. C. Peeters, De Sint-Janskathedraal, ‘s-Gravenhage 1985, blz. 16.[↩]
H.P.H.Camps vermoedt, dat de echtgenoot van Beatrix de vader is van Gerlacus de Busco ridder. In het testament van Beatrix wordt evenwel niet van een zoon Gerlacus gesproken, a. w., blz.622.[↩]
Die Chroniek van der Stat van Tsertogenbosch, blz.46[↩]
J. van Oudenhoven, Silva-Ducisaucta et renata of Een nieuwe ende gantsch vermeerderde beschrijvinge van de stadt van ‘s-Hertogenbossche, ‘s-Hertogenbosch 1670, blz. 121.[↩]
A.P.M. Meuwese, Erp, gemeente en parochie, ‘s-Hertogenbosch 1955, blz. 14.[↩]
Bij J.van Oudenhoven en A. Meuwese staat “Jonckheer Willem van den Bossche ridder”, een verbetering van de tekst van A. Cuperinus.[↩]
Jan van Heelu, Yeeste van de slag van Woeringen, uitgegeven door J.F. Willems in 1836. CR.Hermans, A. van Hoogstraten en M.v.d. Boogaard, Charters en geschiedkundige bescheiden betrekkelijk het land van Ravestein, dl. 1, ‘s-Hertogenbosch 188, blz.23.[↩]
H.P.H. Camps, a.w., blz.787. In het archief van het kasteel Arcen wordt deze tekst reeds aangetroffen in een vidimus van 27 juni 1347. H. Vermeulen, genealoog, maakte mij hierop attent[↩]
M.S.P. Ernst, Histoire de Limbourg, dl.5, Liège 180, blz.3. P. Avonds en H. Brokken, Heusden tussen Brabant en Holland (1317-1357). Analyse van een grensconflict in Varia Historica Brabantica, dl.4, ‘s-Hertogenbosch 1975, blz.52.[↩]
Th.J.Lacomblet, Urkundenbuch + für die Geschichte der Niederrhein, dl.3, 1853, nr.387.[↩]
Elisabeth was de dochter van Willem I van Boxtel, de zoon van Hendrik III van Kuyce, ridder. Zie: J.A. Coldewey, De Heren van Kuyc, 1096-1400, Tilburg 1981, blz.230.[↩]
J. van Oudenhoven, Beschryvinge der stadt Heusden, Amsterdam 1743, blz.221.[↩]
Archief Abdij van Berne, afd.I, V D, map: charters Fraterhuis. G.v.d. Velden, De Abdij van Berne en het Sint-Gregoriushuis te ‘s-Hertogenbosch in Boschboombladeren, nov. 1984, blz. 14.[↩]
L.H.Chr.Schutjes, a w., dl.4, St. Michielsgestel 1873, blz. 439.[↩]
Over de familie Copuiten zie: A. van Sasse van Ysselt, De voorname huizen en gebouwen van ‘s-Hertogenbosch alsmede hunne eigenaars of bewoners in vroeger eeuwen, dl.3, “s-Hertogen- bosch 1914, blz. 384.[↩]
De oorkonden van Best en Oirschot vanaf de 14e eeuw in Campinia, jrg. 5 (1976), nr.19[↩]
Regestenlijst, nr.3. De schepenbrief is van 3 december 1332.[↩]
Archief Stapelen, nr.3. Op dit en de twee volgende charters maakte mij H. Vermeulen, genealoog[↩]
Inventaris van het archief der gemeente Schijndel tot 1814, Dit archief berust in de bibliotheek van het Prov. Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant. Meuwese, A.W., blz. 15. A. Verkooren, a. w., nr.416[↩]
A. Meuwse, a.w., blz 15. A. Verkooren, a.w. nr. 416[↩]
Ch. C.V. Verreyt, Leden der Lieve-Vrouwe Broederschap te ‘s-Hertogenbosch van 1318-1642 in Taxandria, jrg 14 (1907), blz. 190.[↩]
M.Spierings, Het obituarium of dodenboek van de Sint-Janskerk te ‘s-Hertogenbosch (1280- 1435) in Boschboombladeren nr.23.[↩]
J. Mosmans, De middeleeuwsche notarissen te ‘s-Hertogenbosch in Bossche Bijdragen, jrg.6 (1923-1924), blz. 173,[↩]
Men kan zich afvragen, welke jaarstijl hier is gebruikt. Gezien het feit, dat de notaris tot het bisdom Utrecht behoorde waar men sinds 1311 de Kerststijl volgde, werd het jaar 1332 aangehouden. De indictie komt dit bevestigen. Zie hierover H. van Bavel, Regestenboek van het Archief van de Abdij van Berne, Heeswijk 1984, blz.43 nota 2.[↩]
Een mooi voorbeeld van een “interessant middeleeuwsch toneeltje”. Zie: J. Mosmans, a.w., in Bossche Bijdragen, blz. 160. 49. LH.Cr. Schutjes, a.w., dl. 1, blz. 287.[↩]
Deze Ludovicus was maarschalk of seneschalk van Brabant volgens een charter van 2 juni 1334, H.S.A. Wenen.[↩]
Hyer moet worden gezocht in de Neder-Betuwe ten noorden van Tiel. Ynen (Neerijnen en Oppijnen, ten oosten van Waardenburg. A.J.van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek, dl.5, Gorinchem 1844, blz.574 en dl.6, Gorinchem 1845, blz.74.[↩]
Archief van de Abdij van Berne, afd. I, III B, 5.[↩]
G. Brom, Archivalia in Italië. Rijks Geschiedkundige Publication, Kleine serie, nr.2, ‘s-Gravenhage 1908. 76. A. van Lommel, Anni fundationis, erectionis, destructionis, relictionis et restitutionis conventuum ordinis seraphic Provinciae Germaniac Inferioris in Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, dl.2, Utrecht 1975, blz.35-36 en 65-66.[↩]